Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-12194

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 10 oktober 2022 (UHT DC I, DC I A en DH 5 A)

Hoorzitting: 18 september 2024 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 17 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar deels gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende op 18 november 2022 ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op 10 oktober 2022 door UHT genomen beschikkingen met kenmerken (UHT-DC I, DC I A en DH 5 A), waarin aan belanghebbende over de periode 9 maart tot en met 30 september 2009, het jaar 2010 en de periode
1 september tot en met 31 december 2011 met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitief compensatiebedrag is toegekend van € 26.334,- en compensatie voor de periode 1 oktober tot en met
31 december 2009, 1 januari tot en met 31 augustus 2011, de jaren 2012 en 2013 zijn afgewezen. Belanghebbende heeft gemachtigde aangesteld.

Overgangsrecht
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2012.
    In overleg met belanghebbende is het verzoek uitgebreid met het jaar 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende een vergoeding van € 30.000,- toegewezen.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de periode 1 oktober tot en met 31 december 2009, 1 januari tot en met
    31 augustus 2011 en de jaren 2012 en 2013.
  • UHT heeft bij beschikkingen van 10 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2009,1 januari tot en met
    31 augustus 2011 en de jaren 2012 en 2013.
  • Bij beschikking van eveneens 10 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I heeft UHT aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 26.334,-voor de periode van 9 maart tot en met 30 september 2009, het jaar 2010 en de periode 1 september tot en met 31 december 2011.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 18 november 2022, ingekomen op
    9 december 2022, bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen.
  • UHT heeft op 27 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 13 september 2024 heeft gemachtigde het bezwaarschrift van belanghebbende aangevuld.
  • Op 18 september 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Naar aanleiding van de afspraken die zijn gemaakt tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende op 11 en 19 november 2024 bankafschriften ingediend.
  • Vervolgens heeft UHT op 28 november 2024 hier schriftelijk op gereageerd en aanvullende producties ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

In de beschouwing van 27 maart 2024 heeft UHT vermeld dat de berekening van de compensatie over de jaren 2009, 2010 en 2011 niet geheel juist is.

Rentevergoeding gemiste KOT
UHT heeft zich in de beschouwing op het standpunt gesteld dat de rente over gemiste KOT niet goed is berekend. UHT heeft uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt van UHT.

Startdatum immateriele schadevergoeding
UHT heeft voorts geconstateerd dat met 24 maart 2011 een onjuiste startdatum is gehanteerd voor de immateriele schadevergoeding. Volgens UHT is de juiste startdatum 24 december 2010, de datum waarop per brief werd aangekondigd dat belanghebbende kinderopvangtoeslag moest terugbetalen. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt en zal UHT adviseren de beschikking overeenkomstig dit van de Wht afwijkende maar voor belanghebbende begunstigende gehanteerde beleid aan te passen. De Commissie merkt daarbij op dat UHT geacht wordt dat beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toe te passen.

Over de bezwaargrond dat de immateriele schade niet de door belanghebbende werkelijk geleden schade compenseert, overweegt de Commissie het volgende.

De Commissie ziet geen aanleiding om af te wijken van de standaardvergoeding van € 500,- per half jaar, zoals door belanghebbende (subsidiair) is betoogd.
In het kader van de Wht is gekozen voor compensatie middels een forfaitaire benadering, die niet onrechtmatig of onevenredig voorkomt. Indien belanghebbende van mening is, zoals in haar bezwaarschrift geuit, dat zij een hogere materiele en immateriële schade heeft geleden, dan kan zij ingevolge artikel 2.1 lid 3 Wht een verzoek indienen voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). CWS zal het verzoek naar de regels van het civiele schadevergoedingsrecht beoordelen en UHT dienovereenkomstig adviseren of belanghebbende in aanmerking komt voor aanvullende schadevergoeding. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

1% aanvullende vergoeding
Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie, in lijn met het voornemen van UHT om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.

Herbeoordeling jaren 2007 en 2008
Belanghebbende stelt dat ook over de toeslagjaren 2007 en 2008 een herbeoordeling moet plaatsvinden en heeft tijdens de hoorzitting verzocht die jaren te betrekken in deze bezwaarprocedure.

Ter zitting is belanghebbende de gelegenheid geboden om gegevens aan te dragen die voldoende aannemelijk maken dat zij ook voorafgaand aan de beoordeelde jaren kinderopvang heeft afgenomen. Belanghebbende heeft bankafschriften uit 2007 en 2008 ingezonden waarin is vermeld dat zij enkele malen bedragen aan een KOI heeft overgemaakt. Ook blijkt daaruit dat B/T in 2008 kindertoeslag aan belanghebbende heeft betaald. UHT heeft naar aanleiding van die informatie gereageerd over de jaren 2007 en 2008. In haar reactie van 19 november 2024 heeft UHT gesteld dat de betalingen van belanghebbende aan 'Stichting X' betalingen van een eigen bijdrage kunnen zijn voor opvang in de periode oktober en november 2007, maar dat dit niet met zekerheid te stellen is, nu verdere opvanginformatie ontbreekt. Uit onderzoek van UHT blijkt dat in de systemen van B/T de toeslagjaren 2007 en 2008 leeg zijn en geen bewijs aanwezig is voor kinderopvangtoeslag. Ook ontbreken aanwijzingen dat een aanvraag mogelijk is afgewezen voor deze toeslagjaren. De betaling van kindertoeslag in 2008 (beschikking 29 juli 2011, € 994,-) betreft geen KOT maar is een bedrag zoals nu via kindgebonden budget mogelijk is. Nu een aanvraag kinderopvangtoeslag ontbreekt voor toeslagjaren 2007 en 2008 en er verder geen aanwijzingen zijn van vooringenomen handelen bij de eventuele afwijzing van een aanvraag leiden deze bankafschriften en verdere gegevens niet tot het oordeel dat er voor toeslagjaren 2007 of 2008 recht bestaat op een herstelregeling in de zin van de Wet hersteloperatie toeslagen.

De Commissie ziet in wat aan informatie door belanghebbende en UHT is ingezonden geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan wat UHT als gemotiveerde beoordeling over de jaren 2007 en 2008 heeft toegelicht. Ondanks de zoektocht van belanghebbende om gegevens te verkrijgen die aanknopingspunten kunnen bieden voor KOT in 2007 en 2008 moet worden geconcludeerd dat die aanknopingspunten ontbreken. Daarom is er evenmin aanleiding voor deze jaren toepassing van de herstelregeling te overwegen. De Commissie volgt daarom UHT en adviseert om dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde vermeld geen verdere opmerkingen over de beoordeelde jaren 2009 tot en met 2013 te hebben. Herhaald is dat over de jaren 2009 en 2011 volledige compensatie moet worden toegekend. De Commissie stelt vast dat UHT heeft beoordeeld dat B/T in beide jaren vooringenomen heeft gehandeld. Uit de verklaringen van belanghebbende en de gegevens uit de KOI-viewer blijkt echter dat in perioden in die jaren geen opvang heeft plaatsgevonden en over die perioden evident geen recht bestaat. Ook is toegelicht dat geen sprake is van hardheid. Belanghebbende heeft geen informatie ingebracht die deze beoordeling weerspreken. De Commissie heeft evenmin in de voorhanden gegevens aanleiding gezien te oordelen dat de beoordeling van die jaren door UHT onjuist is, behoudens de al genoemde bij de beslissing op bezwaar te corrigeren aspecten.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende is op de hoorzitting bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Nu de Commissie van mening is dat het primaire besluit gedeeltelijk moet worden herroepen, heeft belanghebbende recht op een forfaitaire proceskostenvergoeding op basis van twee procespunten (aanvullend bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie en advies

De Commissie adviseert UHT bij beslissing op bezwaar:

  • het bezwaar deels gegrond te verklaren en de bestreden beschikking DC-I te herroepen;
  • de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
    • vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 24 december 2010 tot de datum van de beslissing op bezwaar;
    • de rentevergoeding voor gemiste KOT vast te stellen zoals in de compensatiebijlage bij de schriftelijke reactie van UHT;
    • de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen voor onderhavige bezwaarprocedure van 2 procespunten met wegingsfactor 2 voor het hoogste tarief.
  • Het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren.

[handtekening] [handtekening]

Secretaris Fungerend voorzitter