BAC 2022-12193
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 juli 2022 (UHT-DC I A en UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 22 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 28 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren tegen de bestreden besluiten ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar ingediend tegen de onderscheiden besluiten van 28 en 29 juli 2022 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 niet is gebleken dat er fouten zijn gemaakt, zodat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie (UHT-DC-I A);
- dat belanghebbende recht heeft op een tegemoetkoming opzet/grove schuld van €4.120 over de toeslagjaren 2012 en 2013 (dit bedrag is niet uitbetaald vanwege het reeds uitgekeerde bedrag van € 30.000 in het kader van de zogeheten Catshuisregeling) (UHT-O OGS B).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 23 juni 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een bedrag van € 30.000.
- Op 21 juli 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan KOT voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 onjuist zijn of dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) met betrekking tot deze toeslagjaren institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. De CvW is van oordeel dat de correcties van de KOT te maken hebben met de omstandigheden dat er (uiteindelijk) minder kinderopvang is afgenomen en een stopzetting van de KOT door belanghebbende op 23 oktober 2013 per 1 juli 2013. Tot slot is de CvW van oordeel dat evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidscompensatie rechtvaardigen. Voor de toeslagjaren 2012 en 2013 dient wel een tegemoetkoming voor opzet/grove schuld (hierna: O/GS) te worden verleend.
- Bij brieven van 28 en 29 juli 2022 zijn vorenstaande besluiten genomen.
- Bij afzonderlijke brieven van 20 december 2022 heeft gemachtigde hiertegen bezwaar gemaakt.
- Op 20 augustus 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 22 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onzorgvuldig genomen besluit
Belanghebbende heeft gesteld dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat geen inzicht is gegeven in de onderliggende stukken.
De Commissie is van oordeel dat UHT door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (hierna: LIC) en overige producties alsnog de bestreden besluiten voldoende heeft onderbouwd. Gelet op deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat de schendingen van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2011, 2012 en 2013 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van door belanghebbende zelf aangeleverde informatie. Uit die informatie volgt dat in deze jaren (onder andere) minder kinderopvanguren zijn afgenomen dan waarop de voorschotbeschikkingen waren gebaseerd. Ook is sprake van een wijziging van het toetsingsinkomen.
De LIC-overzichten en de andere stukken uit het dossier die UHT heeft aangeleverd geven de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat deze onjuist zijn.
Dat in het dossier melding wordt gemaakt van dagopvang X (in plaats van Y) lijkt een kennelijke verschrijving. Niet elke administratieve omissie levert institutioneel vooringenomen handelen op. Te meer daar, zoals hier het geval is, niet is gesteld welk nadeel belanghebbende hiervan heeft ondervonden.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan komen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet makkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.
Ter hoorzitting heeft belanghebbende gesteld dat zij met betrekking tot toeslagjaar 2012 te weinig KOT heeft ontvangen. De Commissie overweegt dat de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. Daar komt bij dat op grond van artikel 1.7, vierde lid, van de Wet kinderopvang het maximum aantal opvanguren 230 uur per maand mag bedragen. Dit verklaart waarom een deel en niet de volledige opvangkosten zijn vergoed. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Dat een ongebruikelijk hoog aantal opvanguren stond geregistreerd in de KOI-viewer hetgeen volgens belanghebbende aanleiding had moeten vormen tot het doen van een uitvraag, zoals ter hoorzitting subsidiair is gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Niet is gesteld noch gebleken welk nadeel belanghebbende hiervan heeft ondervonden.
O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende heeft B/T in het verleden gevraagd om een schuld in delen te betalen of om aan een schuldsanering mee te werken. B/T heeft dat toen niet gedaan. Dat was niet terecht. Daarom krijgt belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming van € 4.120. Deze tegemoetkoming krijgt belanghebbende voor 2012 en 2013. Belanghebbende krijgt echter geen extra bedrag uitbetaald, omdat de O/GS-tegemoetkoming over 2012 en 2013 lager is dan het reeds uitbetaalde bedrag van € 30.000. Niet is gebleken dat dit besluit niet in stand kan blijven.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- De bezwaren ongegrond te verklaren;
- de bestreden besluiten in stand te laten en;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter