BAC 2022-12075
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 4 november 2022 met kenmerken UHT-DH5 A; UHT-DC I A
Hoorzitting: 12 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 18 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluiten compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden besluiten).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2011.
- UHT heeft bij besluit van 25 mei 2021 aan belanghebbende op grond van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000,- toegekend.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 september 2022 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd.
- De CvW heeft geadviseerd dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011.
- UHT heeft bij de bestreden besluiten aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2022 tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft op bij brief van 11 augustus 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 31 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 29 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 9 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 af te wijzen.
Procedurele bezwaren: motiverings-, zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg per toeslagjaar– en de overige producties waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, SAS-overzichten en de (aanvullende) schriftelijke beschouwing, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De nadere onderbouwing en de uiteenzetting van UHT omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikkingen leiden niet tot het herroepen ervan. Ook is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. UHT heeft de situatie van belanghebbende volgens de Wht getoetst en daarbij gekeken naar de individuele omstandigheden. De bezwaren treffen geen doel.
Afgewezen toeslagjaren
Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat de bezwaren zien op de jaren 2009, 2010 en 2011. De overige jaren zijn niet meer in geschil.
2009, 2010 en 2011
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009, 2010 of 2011 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (doorgegeven informatie van de kinderopvanginstelling (KOI), wijzigingen in uren en aangeleverde jaaropgaven door belanghebbende en een gewijzigd toetsingsinkomen) opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid. Tevens waren er voor deze jaren geen onterechte opzet/ grove schuld (O/GS) kwalificaties vastgesteld zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming.
Belanghebbende stelt dat het door haar ingediende bezwaar met betrekking tot het toeslagjaar 2009, niet is ingetrokken blijkende uit het feit dat een schriftelijke bevestiging in het dossier ontbreekt. Volgens belanghebbende is haar rechtsbescherming ontzegd nu er geen besluit op bezwaar is genomen. Dit beschouwt zij als vooringenomen in de zin van artikel 2.1 Wht.
De Commissie is van oordeel dat de mondelinge intrekking conform artikel 6.21 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) van het bezwaar van belanghebbende behalve de vastlegging hiervan door B/T in het systeem in de vorm van een telefoonnotitie, in beginsel een schriftelijke bevestiging vereist. Het opnemen van de telefoonnotitie in het systeem betreft een eenzijdige handeling door B/T. De B/T had aan belanghebbende een schriftelijke bevestiging moeten sturen van haar intrekking van het bezwaar. Een mondelinge intrekking van het bezwaar is mogelijk als dit gebeurt tijdens het horen op een hoorzitting. Het telefonisch contact tussen belanghebbende en de Belastingdienst valt hier niet onder. In zoverre is het bezwaar gegrond. De Commissie is echter van oordeel dat dit geen vooringenomenheid oplevert, nu het toeslagjaar 2009 in deze bezwaarprocedure opnieuw is getoetst door UHT en belanghebbende haar bezwaren naar voren heeft kunnen brengen. Haar rechten zijn met deze toetsing alsnog beschermd zij het op een later tijdstip. Belang bij een gegrondverklaring van dit deel van het bezwaar ontbreekt daardoor. De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden die het oordeel rechtvaardigen dat er voor het toeslagjaar 2009 recht bestaat op compensatie op grond van de Wht. Het bezwaar slaagt niet.
Belanghebbende stelt verder dat B/T in het toeslagjaar 2011 heeft nagelaten onderzoek te doen naar de tegenstrijdige informatie op het antwoordformulier en de jaaropgave.
Het antwoordformulier dient te prevaleren aangezien het een verklaring van belanghebbende betreft. Ook ontbreekt de voorafgaande uitvraagbrief. Dit is vooringenomen. Deze bezwaren slagen volgens de Commissie niet. Het systeem KOI-viewer en de jaaropgave van de kinderopvanginstelling (KOI) zijn gebruikelijke informatiebronnen waarop de B/T zich mocht baseren bij het vaststellen van de KOT. Uit het dossier maakt de Commissie op dat de informatie zoals vermeld op de jaaropgave overeenkomt met de informatie uit KOI-viewer. Daarnaast betreft de jaaropgave een officieel bewijsstuk van de KOT met betrekking tot de daadwerkelijke uren genoten opvang. De Commissie merkt op dat de informatie op het antwoordformulier ingediend door belanghebbende niet per definitie als vaststaande gegevens kunnen worden aangenomen.
Immers, de opvangsituatie kan wijzigen doordat er uiteindelijk minder uren opvang worden afgenomen. De Commissie constateert dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen tegen het definitieve KOT besluit van 2011. Zij heeft verder geen aanknopingspunten gevonden in het dossier om te twijfelen aan de juistheid van de informatie van de jaaropgave en KOI-viewer. Dat de voorafgaande uitvraagbrief aan belanghebbende ontbreekt, levert op zichzelf geen vooringenomenheid op nu belanghebbende de informatie die de B/T nodig had om het definitieve KOT vast te stellen over het jaar 2011 zelf heeft aangeleverd.
De Commissie acht de bezwaren ongegrond.
Belanghebbende stelt dat er telkens (te) laat is beschikt, waarbij zij jaren later is geconfronteerd met een terugvordering. Hoewel een late definitieve beschikking ongewenst is levert deze omstandigheid in dit geval echter geen grond op voor vooringenomenheid of hardheid. Ingevolge artikel 21 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) vervalt de bevoegdheid van de B/T om een voorschot te herzien op basis van nieuwe feiten 5 jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft. De Commissie constateert dat de definitieve beschikkingen over alle jaren binnen 5 jaar na de voorschotbeschikking zijn afgegeven. Het bezwaar slaagt niet.
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter