Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12068

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 17 oktober 2022 met kenmerk UHT-DH5 A

Ontvangst bezwaarschrift: 28 november 2022

Hoorzitting: 14 augustus 2024

Overdracht advies aan UHT: 2 oktober 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de
Commissie) adviseert UHT om de beschikking van 17 oktober 2022 met
kenmerk UHT-DH5 A in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 17 oktober 2022 met kenmerk UHT-DH5 A. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als ‘de bestreden beschikking’. In de bestreden beschikking heeft UHT het verzoek om compensatie voor berekeningsjaar 2013 afgewezen.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. De bestreden beschikking is genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: ‘KOT’) .
  • Op 21 januari 2021 heeft belanghebbende een ‘eerste betaling’ van € 5.000,-
    ontvangen.
  • Bij beschikking van 30 april 2021 met kenmerkt UHT-B DMB2 heeft UHT
    € 30.000,- toegekend aan belanghebbende.
  • Bij advies van 15 september 2022 heeft de Commissie van Wijzen geadviseerd
    dat jegens belanghebbende over de het jaar 2013 geen sprake is van
    institutioneel vooringenomen handelen of hardheid.
  • Bij beschikking van 17 oktober 2022 heeft UHT het verzoek om compensatie voor
    het jaar 2013 afgewezen (beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5
    A).
  • Tegen de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DH5 A heeft belanghebbende
    een bezwaarschrift, ontvangen op 28 november 2022, ingediend.
  • UHT heeft op 19 januari 2024 een schriftelijke reactie op de bezwaren van
    belanghebbende ingediend.
  • Op 14 augustus 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in
    aanwezigheid van partijen. Het verslag van deze hoorzitting is gevoegd bij dit
    advies.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de Commissie.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motivering / equality of arms
Belanghebbende voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat zij bij gebreke van haar persoonlijke dossier niet kan controleren waar zij aanspraak op maakt. Doordat belanghebbende noch gemachtigde over het onderliggende dossier beschikken is er sprake van een schending van het ‘equality of arms’ beginsel, welke voortvloeit uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. UHT stelt dat haar beschouwing (ook) aanvullende informatie geeft over het aangevallen besluit. Daardoor is een eventueel gebrek aan motivering hersteld. Met het overleggen van het dossier door UHT en haar beschouwing is een eventueel zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek hersteld. UHT stelt dat aldus geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms.

De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de uitgebreide schriftelijke
reactie, het hierbij behorende dossier met het overzicht van het Landelijk
Incassocentrum en de overige producties het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is
gekomen en voldoende is onderbouwd. Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het overgelegde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden zijn geweest. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie belanghebbende daarom niet in haar stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden zou zijn.

Afwijzing compensatie
Aanvullend op de motivering in de bestreden beschikking heeft UHT in haar schriftelijke reactie uiteengezet waarom belanghebbende geen recht heeft op compensatie. De Commissie overweegt dat deze nadere toelichting en de aan belanghebbende verstrekte stukken de afwijzing van compensatie in voldoende mate onderbouwen. De Commissie licht haar standpunt als volgt toe.

De eerste neerwaartse wijziging van KOT op 31 december 2013 houdt verband met een foutieve stopzetting KOT per 1 april 2013 door B/T (productie 21). Deze onterechte stopzetting volgt na contact van B/T met de kinderopvanginstelling. Bij
voorschotbeschikking van 14 maart 2014 is de KOT 2013 opnieuw vastgesteld voor de
periode van 1 januari 2013 tot en met 27 september 2013. Hiermee is de
voorschotbeschikking van 31 december 2013 op juiste wijze hersteld. De Commissie acht het aannemelijk dat het hier om een menselijke fout ging. Deze fout is door B/T
onderkend en hersteld. Zij heeft geen bedragen teruggevorderd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt en uit de stukken kan ook niet worden afgeleid dat sprake is geweest van vooringenomenheid. Voorts blijkt niet uit de stukken dat belanghebbende schade heeft geleden nu er geen sprake is geweest van een terugvordering.

De Commissie stelt vast dat de tweede neerwaartse wijziging van KOT betrekking heeft op de voorschotbeschikking van 14 maart 2014. Nadat B/T op 21 november 2013 met de kinderopvanginstelling contact hadt gehad, heeft zij de KOT stopgezet per 28 september 2013 (productie 22). Voorafgaand aan deze stopzetting heeft er ten onrechte geen uitvraag en/of rappel plaatsgevonden. Om deze reden is er, zoals ook UHT in de beoordeling (productie 5, blz. 33 van het dossier) heeft vastgesteld, sprake van een vooringenomen handeling. Uit het jaaroverzicht van de kinderopvanginstelling (productie 18) volgt echter dat de opvang per 28 september 2013 daadwerkelijk gestopt is. Belanghebbende heeft dit jaaroverzicht verstrekt. Belanghebbende had vanaf deze datum geen recht meer op KOT. Om deze reden heeft zij geen recht op compensatie (artikel 2.1 lid 2 Wht). De Commissie voegt hier aan toe dat de belanghebbende op basis van voorschotten KOT-bedragen heeft ontvangen. Dit blijkt ook duidelijk uit de beschikkingen die belanghebbende heeft ontvangen (productie 12, 13, 14). Belanghebbende diende rekening te houden met de mogelijkheid dat de ontvangen voorschotten geheel of gedeeltelijk teruggevorderd zouden worden bij de definitieve vaststelling van KOT voor 2013 (productie 15), wanneer, zoals in haar geval, minder opvang is afgenomen dan waarop de voorschotten waren gebaseerd.

De derde neerwaartse wijziging betreft de beschikking van 10 april 2015. Deze
neerwaartse wijziging is gebaseerd op de daadwerkelijk genoten opvang in 2013. Uit het jaaroverzicht blijkt dat er in totaal 584,17 opvanguren in toeslagjaar 2013 zijn
afgenomen. De definitieve beschikking is vastgesteld op basis van 592 opvanguren.
De Commissie acht het standpunt van UHT navolgbaar.

Overige berekeningsjaren
Belanghebbende heeft volgens productie 1 verzocht om beoordeling van de jaren 2012-2020. Zij heeft aangevoerd dat UHT ten onrechte alleen berekeningsjaar 2013 heeft beoordeeld. UHT stelt dat uit het ouderverhaal blijkt dat de kinderen van
belanghebbende in de overige jaren geen kinderopvang hebben genoten.

Om deze reden heeft UHT alleen 2013 beoordeeld. De Commissie adviseert UHT om in
het geval van belanghebbende niettemin alle jaren te beoordelen zoals belanghebbende heeft verzocht. Het “verhaal van ouder “in de beoordeling (productie 5) is beknopt en niet blijkt dat beperking tot 2013 is afgestemd met belanghebbende. De Commissie adviseert dit alsnog met belanghebbende af te stemmen.

Verrekeningen
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T bij haar beslissingen geen rekening heeft
gehouden met de beslagvrije voet van belanghebbende. Omdat B/T wel beschikte over
alle gegevens om de beslagvrije voet te kunnen berekenen en toe te passen is met
betrekking tot de in het geding zijnde berekeningsjaren ook sprake geweest van
hardheid. In haar schriftelijke reactie heeft UHT dit standpunt gemotiveerd weersproken.

De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die
over de betreffende berekeningsjaren aan de KOT zijn gegeven. Het verrekenen van
bedragen, die terecht zijn teruggevorderd biedt geen grondslag voor compensatie op
grond van hardheid. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en uit de systematiek van de
compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie als bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: “…Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen.” (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat de B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie in stand gelaten dient te
worden, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van
rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure af te wijzen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om:

  • de beschikking van 17 oktober 2022 met kenmerk UHT-DH5 A in stand te laten;
  • de jaren 2012 en 2014 tot en met 2020 alsnog in afstemming met belanghebbende te beoordelen op basis van de Wht.
  • het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter