BAC 2022-12062
Publicatiedatum 23-07-2025
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]
Primair besluit: 6 december 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR
Hoorzitting: 29 november 2024
Overdracht advies aan UHT: 5 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT
om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen van 6 december 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR te herroepen. Voorts adviseert de Commissie het verzoek voor een vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen
compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna:
Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 83.502,- voor de jaren 2011 tot en met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2012 en 2013. In overleg is dit verzoek uitgebreid met de jaren 2011 en 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 18 september 2021 aan belanghebbende
medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-. - UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 6 december 2022 met kenmerken
UHT-DC I en UHT-DHR aan belanghebbende een compensatie van € 83.502,-
toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2014, op grond van
vooringenomenheid, en voor het jaar 2011 op grond van hardheid. - Gemachtigde heeft bij brief van 29 november 2022 tegen deze beschikkingen een
bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 12 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 29 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. - Gemachtigde heeft per e-mail van 22 januari 2025 een screenshot van de
Opzet/Grove Schuld-kwalificatie ontvangen. - Dit advies wordt uitgebracht door de Commissie.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en zal ingaan op de gronden van bezwaar.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2011 tot en met 2014
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat de
Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2012 tot en met 2014
institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. Voorts is
belanghebbende over het toeslagjaar 2011 gecompenseerd op grond van hardheid. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 83.502,- aan belanghebbende toegekend.
De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat, op grond van artikel 2.2 Wht, uit verschillende componenten. De hoogte van deze componenten is vastgesteld in artikel 2.3 Wht. In haar beschouwing van 12 juli 2024 heeft de UHT een nieuwe
compensatieberekening overgelegd naar aanleiding van een ambtshalve herberekening. Op basis hiervan is de UHT tot de conclusie gekomen dat de compensatieberekening zoals opgenomen in de definitieve beschikkingen op meerdere punten dient te worden aangepast.
Toeslagjaar 2011
UHT stelt zich op het standpunt dat component a) ‘KOT voordat deze onterecht naar
beneden werd aangepast’ onjuist is vastgesteld op € 12.254,-. Op basis van de
jaaropgave over het toeslagjaar 2011 dient dit bedrag te worden gecorrigeerd naar €
18.159,-.
Dit heeft als gevolg dat de componenten c) ‘bedrag dat u eerder moest terugbetalen of
niet hebt ontvangen’ en e) ‘bedrag dat u eerder moest terugbetalen of niet hebt
ontvangen, inclusief rente’ eveneens dienen te worden aangepast naar € 18.159,-.
Daarnaast resulteert dit in een herberekening van component h) ‘Materiële schade (25% van e)’ van € 3.064,- naar € 4.540,-.
Ten aanzien van component o) ‘toeslagrente over gemiste KOT’ is vastgesteld dat het
oorspronkelijke bedrag van € 4.794,- onjuist is. Dit wordt aangepast naar € 4.860,-.
Bovendien blijft de rentevergoeding doorlopen over het resterende bedrag van € 5.901,- (€ 18.159,- - € 12.254,-) tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Toeslagjaren 2012, 2013 en 2014
UHT stelt voor het toeslagjaar 2012 dat component o) ‘toeslagrente over gemiste KOT’
onjuist is vastgesteld op € 7.164,- en dit bedrag wordt gecorrigeerd naar € 7.658,-. Voor de toeslagjaren 2013 en 2014 wordt eveneens vastgesteld dat de component o)
‘toeslagrente over gemiste KOT’ te hoog is vastgesteld, maar in het voordeel van
belanghebbende wordt dit niet aangepast.
UHT acht het bezwaar op dit onderdeel derhalve gegrond en zal de
compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. UHT heeft daarnaast
aangegeven dat, overeenkomstig het beleid van UHT in zaken waarin het bezwaar
(gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor
immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Tot slot zal door UHT ook de hoogte van de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal in de beslissing op bezwaar worden aangepast (component p) in de compensatieberekening).
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de juridische kosten van de
bezwaarprocedure met betrekking tot de persoonlijke toeslagen van 2015. De Commissie overweegt dat de huidige bezwaarprocedure geen betrekking heeft op het toeslagjaar 2015. Bovendien zijn er geen stukken overgelegd in deze procedure waaruit blijkt dat belanghebbende in verband met het toeslagjaar 2015 gebruik heeft gemaakt van professionele juridische bijstand. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
De Commissie adviseert UHT om aan de in de beschouwing gedane toezeggingen gevolg te geven, de compensatieberekening aan te passen conform de in de beschouwing opgenomen toezeggingen en om bij haar beslissing op bezwaar een nieuwe compensatieberekening aan belanghebbende te verstrekken.
Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Aangezien de bestreden beschikkingen niet in stand kunnen blijven, zoals volgt uit het
voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat niet alle relevante stukken van haar dossier in haar bezit zijn.
Belanghebbende verzoekt in dit kader om alle stukken met betrekking tot de kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) te overleggen.
De Commissie overweegt daaromtrent als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel
6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken aan
gemachtigde ter beschikking stellen. De schriftelijke reactie/beschouwing van UHT is
vergezeld gegaan met stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikking. Deze, op de zaak betrekking hebbende stukken, zijn aan de
gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen
aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde
“ouderdossier” evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van de
O/GS niet samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor
bedoeld. Ten aanzien van de stukken betreffende de O/GS-kwalificatie overweegt de
Commissie dat belanghebbende reeds volledige compensatie heeft ontvangen over alle herbeoordeelde toeslagjaren die onderdeel uitmaken van de onderhavige
bezwaarprocedure. Om die reden heeft de overlegging van deze stukken geen financieel belang voor belanghebbende daar een eventuele onterechte O/GS-kwalificatie in casu niet kan leiden tot een hogere compensatie in het kader van de integrale beoordeling. Daarnaast heeft belanghebbende niet geconcretiseerd welke stukken ontbreken en waarom deze relevant zouden zijn voor de beoordeling van het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nog geen herbeoordeling toeslagjaren 2010, 2015 en 2016
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren
2010, 2015 en 2016 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit
moeten gebeuren, omdat ook over deze toeslagjaren sprake was van KOT. De Commissie stelt vast dat het initiële verzoek om herbeoordeling van belanghebbende, gedateerd 24 maart 2021, zag op de toeslagjaren 2012 en 2013 . Blijkens het tot de stukken behorende informatie- en beoordelingsformulier (verder onder meer: het formulier) is dat verzoek, na overleg met belanghebbende, vervolgens uitgebreid met de jaren 2011 en 2014. In dat licht bezien kan niet worden geconcludeerd dat UHT ten onrechte heeft nagelaten de toeslagjaren 2010, 2015 en 2016 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikkingen moet worden herroepen. Nu het verzoek om herbeoordeling en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de toeslagjaren 2010, 2015 en 2016 alsnog in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter hoorzitting gedane toezegging van UHT om de toeslagjaren 2010, 2015 en 2016 alsnog voor te leggen om als aanvullend verzoek voor herbeoordeling in behandeling te nemen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag
ontkennend beantwoordend, gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de
primaire beschikkingen van 6 december 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR,
adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te
vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT:
- om het bezwaar tegen de beschikkingen van 6 december 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR gedeeltelijk gegrond te verklaren; en
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te
berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT
zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking
genomen vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van
de beslissing op bezwaar en de bestreden besluiten in zo verre te herroepen; - een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter