Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12055

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 11 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR

Ontvangst bezwaarschrift: 21 november 2022

Hoorzitting: 29 februari 2024

Overdracht advies aan UHT: 21 maart 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT het bezwaar tegen de beschikkingen van 11 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR (gedeeltelijk) gegrond te verklaren, het bestreden besluit op onderdelen te herroepen en alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies. Voorts adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van 11 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR.

Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) is bij voornoemde beschikkingen aan belanghebbende over de toeslagjaren 2005, 2007 en 2010 een definitief compensatiebedrag van € 48.756 toegekend. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die periode namelijk fouten gemaakt bij de beoordeling van de situatie van belanghebbende.

Overgangsrecht
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 en 2007. In overleg met gemachtigde is op een later moment het toeslagjaar 2010 toegevoegd.
  • Bij beschikkingen van 11 oktober 2022 (met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR) is aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag toegekend van € 48.756 over de toeslagjaren 2005, 2007 en 2010.
  • Bij brieven van 18 november 2022, ontvangen door UHT op 21 november 2022, heeft gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze beschikkingen.
  • Op 14 april 2023 heeft belanghebbende UHT in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. In antwoord daarop heeft UHT op 16 juni 2023 een dwangsom van € 1.442 aan belanghebbende toegekend.
  • Belanghebbende heeft op 31 mei 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
  • UHT heeft op 21 augustus 2023 een schriftelijk reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
  • Op 29 februari 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
  • De Commissie heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hiernavolgende advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en onvolledig bezwaardossier: schending van ‘equality of arms’
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de bestuursrechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 8 januari 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad en dat het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden is. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.

Motivering van de beschikking
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel van onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, met daarin een uitgebreide uitleg per component van de compensatieberekening, en het verstrekken van de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT het bezwaar ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

De hoogte van de compensatieberekening
Belanghebbende stelt in bezwaar dat het voor haar, vanwege het ontbreken van onderliggende stukken, niet mogelijk is de juistheid van de door UHT gehanteerde ingangsdatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade en van de rentevergoeding over gemiste KOT te controleren.

Rentevergoeding over gemiste KOT
In haar schriftelijke reactie stelt UHT dat de berekening van de rentevergoeding over de gemiste KOT niet correct is. Over het toeslagjaar 2005 is namelijk, gezien het bepaalde in artikel 27 Awir, een verkeerde ingangsdatum gehanteerd. Daarnaast geldt voor alle drie de toeslagjaren dat ten onrechte uit is gegaan van de einddatum van 4 oktober 2022, nu de definitieve beschikking pas van 11 oktober 2022 dateert. De aanpassing van deze onderdelen pakt over het toeslagjaar 2007 ten voordele en over de toeslagjaren 2005 en 2010 ten nadele van belanghebbende uit. UHT is voornemens om in de beslissing op bezwaar alleen de correctie in het voordeel van belanghebbende door te voeren. De Commissie volgt deze lijn van UHT, aangezien het ook doorvoeren van de verlaging ertoe zou leiden dat het definitieve compensatiebedrag in bezwaar lager zou uitvallen dan bij de bestreden beschikking is toegekend. De Commissie adviseert UHT daarom om bij de beslissing op bezwaar de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT uit haar beschouwing van 18 december 2023 toe te passen.

Ter zitting is namens belanghebbende het standpunt ingenomen dat voor de berekening van de rente over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2007 en 2010 als startdatum 4 november 2005 zou moeten worden gehanteerd. Deze stellingname strookt echter niet met het bepaalde in artikel 27 Awir, waarin bepaald is dat als startdatum voor de berekening van rente 1 juli van het jaar volgend op het betreffende toeslagjaar moet worden gehanteerd. Daarnaast merkt de Commissie op dat, hoewel het in de toelichting op de compensatieberekening misschien niet geheel duidelijk is geformuleerd, belanghebbende in redelijkheid niet kan hebben verwacht dat rente zou worden toegekend vanaf een datum die ligt vóór het ontstaan van de vordering.

Vergoeding voor immateriële schade
Wat betreft de ingangsdatum van de vergoeding voor de immateriële schade overweegt de Commissie dat deze op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht dient te worden vastgesteld op de dagtekening van de eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder andere) vooringenomen handelen van B/T. Uit de in het geding gebrachte stukken volgt dat de eerste neerwaartse beschikking dateert van 29 november 2005. In de compensatieberekening is UHT echter uitgegaan van 4 november 2005, de datum waarop de relevante verlaging van de KOT in het systeem van B/T werd verwerkt. De Commissie adviseert UHT om die reden de ingangsdatum overeenkomstig dit standpunt te handhaven op 4 november 2005.

In haar schriftelijke reactie merkt UHT op dat bij de berekening van de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade een verkeerde einddatum is gehanteerd. In plaats van de datum van dagtekening van de betreffende beschikking, zoals geldt op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht, is uitgegaan van een eerdere datum. De Commissie deelt deze conclusie van UHT, maar stelt daarnaast vast dat het advies om de vergoeding voor rente over gemiste KOT aan te passen ertoe leidt dat de vergoeding voor immateriële schade dient te worden doorberekend tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de hoogte vergoeding voor immateriële schade bij de beslissing op bezwaar opnieuw dient te worden vastgesteld.

Invorderingskosten en -rente
Ter zitting is namens belanghebbende nog aangevoerd dat de in het LIC-overzicht over het toeslagjaar 2005 genoemde bedragen van twee keer € 13 en een keer € 1552 meegeteld moeten worden in component d van de compensatieberekening. De Commissie volgt deze stellingname niet. De rente zoals bedoeld in component d betreft de toeslagrente, te weten de rente die B/T in haar terugvordering berekend heeft over de periode vanaf het moment dat de KOT aan belanghebbende is uitbetaald tot aan de terugvorderingsbeschikking. De kosten waarnaar gemachtigde verwijst zijn eerder te relateren aan component i van de compensatieberekening, betreffende de invorderingskosten en rente. De Commissie ziet in onderhavig geval echter geen aanleiding voor zo’n toedeling, nu deze kosten uitsluitend benoemd zijn in de kolom “Toelichting”. Zoals UHT ter zitting heeft toegelicht, betekent dit dat de kosten wel door B/T zijn gemaakt, maar niet bij belanghebbende in rekening zijn gebracht of door haar zijn betaald. Een dergelijk bedrag komt daarom niet in aanmerking voor compensatie. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Aanvullende vergoeding van 1 procent
Het advies van de Commissie om de vergoeding voor de rente over gemiste KOT en de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade aan te passen, leidt ertoe dat de aanvullende vergoeding van 1 procent in de beslissing op bezwaar over een hoger subtotaal moet worden berekend dan het geval is in de definitieve compensatiebeschikking.

Het persoonlijk verhaal van belanghebbende
Belanghebbende voert aan dat haar persoonlijk verhaal niet is gehoord voordat UHT de bestreden beschikkingen nam. De Commissie stelt vast dat belanghebbende haar persoonlijk verhaal, zoals ook als bijlage bij de bezwaarschriften is gevoegd, op 3 augustus 2022 aan UHT heeft toegezonden. Deze verklaring is vervolgens integraal opgenomen in het informatie- en beoordelingsformulier op basis waarvan UHT heeft besloten compensatie toe te kennen aan belanghebbende. De Commissie ziet daarom geen aanleiding te concluderen dat sprake is van onzorgvuldig handelen van UHT.

Deze constatering laat onverlet dat de Commissie in de verklaringen van belanghebbende en haar kinderen heeft kunnen lezen hoe hard belanghebbende en haar kinderen geraakt zijn door de KOT-affaire.

De Commissie begrijpt dat belanghebbende voor dit leed een tegemoetkoming wenst, ook al valt dat moeilijk in geld uit te drukken. In het geval van compensatie op grond van artikel 2.1 Wht wordt echter een forfaitaire compensatie toegekend, waarmee
gedupeerde ouders niet steeds het werkelijk nadeel dat zij ondervonden hebben, vergoed krijgen. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke schade als gevolg van het handelen door B/T hoger is dan de (deels) forfaitaire compensatie uit hoofde van artikel 2.3 Wht, kan belanghebbende op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. De belanghebbende kan daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade indienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het uiteindelijke besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie. De Commissie kan in deze procedure dus geen besluit nemen over (een vergoeding van) de aanvullende (werkelijke) schade die belanghebbende als gevolg van de KOT-affaire zou hebben geleden.

Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor
rechtsbijstand. Omdat de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn en op onderdelen leiden tot herroeping van de bestreden besluiten UHT-DC I en UHT-DHR, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Samenvattend adviseert de Commissie UHT om:

  • de bezwaren tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC I en UHT-DHR gegrond te verklaren ten aanzien van de berekening van de rente over de gemiste KOT;
  • de bestreden besluiten met kenmerk UHT-DC I en UHT-DHR op deze punten te
    herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen en alle, ingevolgde de Wht
    daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming
    van dit advies;
  • de overige bezwaren ongegrond te verklaren;
  • het verzoek om vergoeding van de proceskosten van deze procedure toe te
    wijzen ten aanzien van de tegen de bestreden besluiten met kenmerk UHT-DC I
    en UHT-DHR ingediende bezwaarschriften.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter