BAC 2022-12052
Publicatiedatum 22-07-2025
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]
Primair besluit: 16 december 2021 met kenmerk UHT CHR GU en 25 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A
Ontvangst bezwaarschrift: 2 februari 2022, 25 februari 2022 en 23 november
2022
Hoorzitting: 3 september 2024
Overdracht advies aan UHT: 27 september 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
de bezwaren ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de
proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bij afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar ingediend tegen de onderscheiden besluiten van 16 december 2021 en 25 oktober 2022 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat zij (vooralsnog) niet in aanmerking komt voor een vergoeding van € 30.000 (UHT CHR GU);
- dat er bij de herbeoordeling over de periode van 2013 tot en met 2015 niet is
gebleken van fouten en dat belanghebbende derhalve over dat tijdvak geen
aanspraak maakt op compensatie (UHT-DC-I A); - dat er bij de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de periode 2013 tot en met 2015 niet is gebleken van omstandigheden die een tegemoetkoming
rechtvaardigen (UHT-DH5 A);
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het
bepaalde in artikel 8.6 en 9.2 Wht worden de bestreden beschikkingen geacht te zijn
genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 februari 2021 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 16 december 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het
kader van de eerste toets, niet in aanmerking komt voor een betaling van €
30.000. - Op 17 oktober 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies
uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken dat de
definitief vastgestelde bedragen aan kot voor de toeslagjaren te laag 2013 tot en
met 2015 onjuist zijn of dat de B/T voor deze jaren institutioneel vooringenomen
heeft gehandeld. Aan deze conclusie heeft de CvW ten grondslag gelegd dat voor
de jaren 2013 en 2014 er geen neerwaartse correcties hebben plaatsgevonden
van de KOT, dat de definitieve beschikking voor het jaar 2015 is gebaseerd op de
kinderopvanggegevens en dat er geen aanwijzingen zijn dat die onjuist of
onvolledig zijn. - Bij brieven van respectievelijk 16 december 2021 en 25 oktober 2022 zijn
vorenstaande drie besluiten genomen. - Bij afzonderlijke brieven van 2 januari 2022 en 23 november 2022 hebben
belanghebbende en gemachtigde tegen bovenstaande besluiten bezwaar gemaakt. - Bij brieven van 24 februari 2022, 20 september 2023 en 4 april 2024 heeft
gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend. - Op 9 januari 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 3 september 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij
dit advies gevoegd. - Op 5 september 2024 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing
ingediend. - Bij e-mailbericht van 17 september 2024 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de samenhang die bestaat tussen de bestreden besluiten, zal de Commissie de bezwaren gevoegd behandelen.
Lichte toets (UHT CHR GU)
Bij de lichte toets wordt bekeken of iemand ten onrechte KOT moest terugbetalen dan
wel of de KOT in het verleden ten onrechte is stopgezet. Deze lichte toets is bedoeld om ouders snel duidelijkheid te geven en is daarmee beperkter dan de integrale beoordeling. Bij de integrale beoordeling wordt uiteindelijk definitief beoordeeld of een ouder in aanmerking komt voor een compensatie.
Uit de dossierstukken kan opgemaakt worden dat de aanpassingen van de KOT over
2015 het gevolg zijn geweest van wijzigingen in het aantal uren dat de kinderen
opgevangen zijn. De aanpassingen zijn dan ook als reguliere correcties te bestempelen.
Aanwijzingen dat er sprake is geweest van onterechte terugvorderingen zijn in ieder
geval niet terug te vinden in het dossier. Ten aanzien van toeslagjaren 2014 en 2015
hebben er geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. De conclusie is dat het bezwaar tegen de lichte toets ongegrond is.
UHT-DC-I A en UHT-DH5 A
Motivering besluiten onvoldoende
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de
motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden besluiten weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat UHT door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) en overige producties alsnog de bestreden besluiten voldoende heeft onderbouwd.
Geen vooraankondiging
Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verzoek afgifte persoonlijk dossier
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen de bestreden
besluiten. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.
Onvolledig dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden
beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt
van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen
aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 Awir destijds binnen een termijn
van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft
gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij –
buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat het daarom verder
onbesproken.
Code ‘HOTHOR’ / discriminatie
Belanghebbende heeft erop gewezen dat in het RKT-bestand staat dat zij in het HOTHOR (Hoge Toekenning, Hoog Risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond. Volgens belanghebbende is zij daarom gediscrimineerd. Als dat volgens B/T niet zo is, dan is het aan B/T om dit aan te tonen.
Jaarlijks worden door B/T aanvragen voor KOT behandeld die een HOTHOR-signalering hebben. HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden, onvoldoende gebleken.
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2015 is, zoals op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van door belanghebbende zelf aangeleverde informatie. Uit die informatie volgt dat in deze jaren (onder meer) minder kinderopvanguren zijn afgenomen dan waarop de voorschotbeschikkingen waren gebaseerd en dat er sprake was van een wijziging van het toetsingsinkomen. De LIC-overzichten en de andere stukken uit het dossier die UHT heeft aangeleverd geven de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat deze onjuist zijn.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT voor het jaar 2015 het
gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel
vooringenomen handelen. De reguliere correcties over dit toeslagjaar wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag uitkomt. Aan een voorschot kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat. Ten aanzien van toeslagjaren 2013 en 2014 hebben geen neerwaartse correcties plaatsgevonden.
De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet
makkelijk zal zijn geweest. Of en in hoeverre haar situatie uiteindelijk verband houdt
met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen acht de
Commissie in onvoldoende mate aannemelijk geworden.
Gemachtigde heeft in haar reactie op de aanvullende beschouwing (samenvattend)
gesteld dat het op de weg van B/T had gelegen om in de toeslagjaren 2013, 2014 en
2015 om belanghebbende om aanvullende gegevens (i.c. jaaropgaven) te vragen. De
Commissie is van oordeel dat deze stelling in wezen een herziening achteraf van de KOT toekenning in die jaren inhoudt en daarmee buiten het door de Wht gegeven kader valt. De stelling dat B/T toen en daar hiertoe verplicht zou zijn geweest en daardoor vooringenomen zou hebben gehandeld acht de Commissie in onvoldoende mate onderbouwd.
Ook stelt gemachtigde dat het onderzoek door UHT naar de FSV en O/GS registratie
onvolledig is geweest. De conclusie, aldus gemachtigde, is dat te simpel wordt
geconcludeerd dat deze onderzoeken deugdelijk zijn uitgevoerd. Anders dan gemachtigde is de Commissie van oordeel dat deze in algemene bewoordingen gestelde betwisting van de uitkomsten van het UHT onderzoek, zonder concrete onderbouwing niet kan worden gevolgd.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat alle toeslagjaren herbeoordeeld hadden moeten worden. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van
belanghebbende volgens de stukken in het dossier alleen zag op de toeslagjaren 2013,
2014 en 2015. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de
overige toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de niet herbeoordeelde toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
De Commissie heeft goede nota genomen van de in de schriftelijke reactie (uit coulance) gedane toezegging van UHT om de overige toeslagjaren alsnog te herbeoordelen.
Verzoek betalingsregeling
Er is gesteld dat belanghebbende een verzoek heeft gedaan tot een betalingsregeling.
Naar het oordeel van de Commissie is dit echter niet aannemelijk gemaakt. Er zijn geen
stukken ingediend waaruit blijkt dat een dergelijk verzoek is gedaan.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor
rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende niet in
aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- De bezwaren ongegrond te verklaren;
- De bestreden besluiten in stand te laten;
- het verzoek om een proceskostenvergoeding te betalen af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter