Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12037

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 3 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-O OGS B

Ontvangst bezwaarschrift: 14 november 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 14 november 2023

Overdracht advies aan UHT: 14 maart 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A gegrond te verklaren, de beschikkingen met kenmerken UHT-DH5 A en UHT-O OGS B in stand te laten en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde, namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de beschikkingen van 3 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-O OGS B. Bij de beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A is bepaald dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid bij de uitvoering. Bij beschikking met kenmerk UHT-O OGS-B is belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend ad € 30.000,-.

Overgangsrecht
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft UHT op 8 april 2021 verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. UHT heeft in het kader van de herbeoordeling gekeken naar de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 en een zienswijze ingediend bij de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
  • De CvW heeft op 8 augustus 2022 het verzoek van belanghebbende beoordeeld en geconcludeerd dat belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 geen recht heeft op (hardheids-)compensatie. Over de toeslagjaren 2012 en 2013 zou geen kinderopvangtoeslag zijn verstrekt.
  • UHT heeft bij beschikkingen van 3 oktober 2022 geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen (UHT-DC-I A) of hardheid bij de uitvoering (UHT-DH5 A) door de Belastingdienst/Toeslagen.
  • UHT heeft belanghebbende bij beschikking van 3 oktober 2022 (UHT-O OGS B) een O/GS-tegemoetkoming ad € 19.059,- toegekend, aangevuld tot € 30.000,- op basis van de Catshuisregeling.
  • Gemachtigde heeft op 10 november 2022 drie bezwaarschriften ingediend tegen de beschikkingen van 3 oktober 2023 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-O OGS B.
  • UHT heeft op 6 april 2023 schriftelijk gereageerd.
  • Gemachtigde heeft op 13 november 2023 een aanvullende productie in het geding gebracht.
  • Het bezwaar van belanghebbende is op dinsdag 14 november 2023 op hoorzitting bij de Commissie behandeld. Het verslag van de hoorzitting is achter het advies gevoegd.
  • UHT heeft op 14 november 2023 gereageerd op vragen van de Commissie.
  • Hierna heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden. Gemachtigde heeft op 5 december 2023 aanvullende stukken ingediend. UHT heeft op 10 januari 2024 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft hier op 19 januari 2024 nog op gereageerd.
  • De Commissie heeft het bezwaar behandeld en het hierna volgende advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Schending inzagerecht en/of equality of arms
Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. Het inzagerecht en de equality of arms zouden hiermee geschonden zijn. De Commissie overweegt met betrekking tot deze procedurele bezwaren als volgt.

Ingevolge artikel 7:4 lid 2 Awb jo. artikel 5.2 lid 3 tot en met 4 Wht (voorheen artikel 49e lid 3 t/m 4 Awir) heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de
Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken (hierna: het inzagerecht).

Bij de schriftelijke reactie heeft UHT een uitgebreid dossier overgelegd, waaronder begrepen de door belanghebbende verlangde overzichten van het Landelijk Incassocentrum. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende hiermee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende in haar rechtspositie is geschaad door het niet overleggen van stukken.

De Commissie is gezien het voorgaande de opvatting toegedaan dat het inzagerecht en het beginsel van “equality of arms” in deze bezwaarprocedure niet zijn geschonden.

Afwijzing compensatie over toeslagjaren 2010 en 2011
Ingevolge artikel 2.1 en verder Wht komt een belanghebbende in aanmerking voor forfaitaire compensatie over een toeslagjaar, indien er vóór 23 oktober 2019 een neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden over het desbetreffende toeslagjaar waarbij sprake is geweest van individueel of institutioneel vooringenomen handelen ofwel hardheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag.

Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt geen compensatie toegekend indien de door de aanvrager gelegen schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn.

UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A bepaald dat belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 niet in aanmerking komt voor compensatie. Belanghebbende zou in deze toeslagjaren niet hebben voldaan aan de voorwaarden om kinderopvangtoeslag te ontvangen. Van hardheid bij de uitvoering zou verder geen sprake zijn.

UHT heeft bij schriftelijke reactie nader toegelicht dat belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 niet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldeed, omdat belanghebbende een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand ontving en dat niet zou zijn gebleken dat belanghebbende daarnaast een re-integratietraject volgde. De Commissie overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2010 en 2011 sprake is geweest van individuele vooringenomenheid jegens belanghebbende. Over deze toeslagjaren werd de kinderopvangtoeslag van belanghebbende op nihil gesteld (2010: € 27.709 naar nihil; 2011: € 35.208,- naar nihil).

De relevante vraag is vervolgens of over deze toeslagjaren sprake is geweest van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn. Vaststaat dat de bewijslast hiervoor aan de zijde van UHT ligt. De partij die zich immers op een rechtsgevolg beroept, draagt daarvan de bewijslast.

Uit het dossier volgt dat belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd op aanspraakvoorwaardes IBGC (inburgeringscursus) (productie 20) en BIIA (bijstand en re-integratietraject) (productie 28). Zij heeft gedurende deze bezwaarprocedure stukken overgelegd van de
Gemeente Rotterdam dat zij gedurende deze toeslagjaren bezig was met een inburgeringscursus (2010-2014), een taal- en leertoets arbeidspotentieel (2010) en een re-integratietraject (2007-2013). Deze stukken zijn summier maar naar de opvatting van de Commissie voldoende concreet.

Het komt de Commissie niet onaannemelijk voor dat belanghebbende gedurende de toeslagjaren 2010 en 2011 een zogenaamde “doelgroeper” was. Bij de nihilstellingen over de toeslagjaren 2010 en 2011 ging het de Belastingdienst/Toeslagen, gelet op de correspondentie, ook niet om de vraag of belanghebbende doelgroeper was over deze toeslagjaren. De stelling dat belanghebbende geen doelgroeper was, is naar de opvatting van de Commissie onvoldoende door UHT onderbouwd. De Commissie ziet geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende wist of moest weten dat zij geen recht op kinderopvangtoeslag had.

De bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC-I A kan gelet op het voorgaande niet in stand blijven. Belanghebbende heeft over de toeslagjaren 2010 en 2011 recht op compensatie ingevolge artikel 2.1 Wht en de Commissie zal UHT dienovereenkomstig adviseren.

Herbeoordeling over het toeslagjaar 2011
Bij de bestreden beschikking heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de toeslagjaren 2010 tot en met 2013. Volgens belanghebbende heeft UHT ten onrechte nagelaten ook naar andere toeslagjaren te kijken.

Uit het dossier volgt dat belanghebbende niet naar extra onderzoek over andere toeslagjaren heeft gevraagd noch dat hiervoor een aanleiding bestond. Belanghebbende heeft zelf om herbeoordeling over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 gevraagd (productie 1). Indien belanghebbende alsnog herbeoordeling van andere toeslagjaren wenst dan dient zij hiervoor een separaat herbeoordelingsverzoek in te dienen.

Schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Nu de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC-I A volgens de Commissie niet in stand kan blijven, zoals hierboven benoemd, staat daarmee vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd.

De Commissie ziet daarentegen geen aanleiding, mede gelet op de gronden van het bezwaar, om te veronderstellen dat UHT bij de totstandkoming van de bestreden beschikkingen UHT-DH5 A en UHT-O OGS B onzorgvuldig heeft gehandeld. Deze beschikkingen kunnen naar opvatting van de Commissie in stand blijven en behoeven geen aanpassing van de motivering.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A naar opvatting van de Commissie gegrond is en het advies is om het primaire besluit te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

De Commissie adviseert het bezwaar tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-DH5 A en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren en voor het bezwaar tegen deze beschikkingen geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • Het bezwaar tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-DH5 A en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren;
  • het bezwaar tegen de beschikking UHT-DC-I A gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen;
  • belanghebbende alsnog compensatie over de toeslagjaren 2010 en 2011 toe te kennen op grond van artikel 2.1 lid 1 onderdeel a Wht;
  • voor zover reeds is gecompenseerd op grond van de O/GS-tegemoetkoming, deze toekenning achterwege te laten (artikel 2.1 lid 6 Wht);
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter