Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12031

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 30 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DHR

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 26 september 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT
om de bezwaarschriften ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.091,-,
aangevuld tot € 30.000,-, voor het jaar 2011. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2012, 2013 en 2014.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2015. In overleg met belanghebbende is het verzoek aangepast naar de jaren 2011 tot en met 2014.
  • Bij beschikking van 20 december 2021 is aan belanghebbende meegedeeld dat zij
    nog niet in aanmerking komt voor een vergoeding van € 30.000,- ingevolge de
    Catshuisregeling. Belanghebbende heeft bij brief van 16 januari 2022 tegen deze
    beschikking een bezwaarschrift ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 25 april
    2023 heeft UHT het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 12 september 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft
    geoordeeld dat gedurende de jaren 2012, 2013 en 2014 geen sprake is geweest
    van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHTDH5
    A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2012,
    2013 en 2014.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DHR aan
    belanghebbende voor het jaar 2011 een compensatie toegekend tot een bedrag
    van € 4.091,-, aangevuld tot € 30.000,-.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 8 november 2022, ingekomen op 9 november
    2022, tegen deze beschikkingen bezwaar ingediend.
  • UHT heeft op 15 april 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 16 juni 2024 te kennen gegeven dat
    belanghebbende afziet van een hoorzitting.
  • Gemachtigde heeft de gronden met een aanvullend bezwaarschrift van 8 juli 2024
    aangevuld.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 13 augustus 2024 een nadere
    schriftelijke reactie ingediend.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 14 augustus 2024,
    een nadere toelichting op het bezwaar ingediend. UHT heeft op 10 september
    2024 bericht geen aanleiding te zien om te reageren op de nadere toelichting van
    de gemachtigde.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de Commissie.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor
het jaar 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is
gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of
tegemoetkoming voor de jaren 2012, 2013 en 2014 af te wijzen.

Volledigheid dossier
Belanghebbende stelt in haar aanvullende bezwaarschrift van 8 juli 2014 dat het
bezwaardossier onvolledig is.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 13 juni 2024 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet herbeoordeelde jaren
Belanghebbende voert aan dat de terugvordering van KOT in haar geval al is begonnen
in 2009 of 2010 en dat haar kinderen in die jaren naar de kinderopvang gingen. Zij stelt
dat UHT had moeten motiveren waarom er voor deze jaren geen compensatie is
toegekend.

De Commissie stelt vast dat het oorspronkelijke herbeoordelingsverzoek van
belanghebbende zag op de jaren 2011 tot en met 2015. In het informatie- en
beoordelingsformulier is opgenomen dat er daarna contact heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en haar persoonlijk zaakbehandelaar. Belanghebbende zou tijdens dit contact hebben aangegeven dat zij per 1 januari 2015 geen kinderopvang meer afnam. Zodoende heeft UHT in overleg met belanghebbende enkel de jaren 2011 tot en met 2014 herbeoordeeld.

De Commissie vindt het vervelend dat belanghebbende in eerste instantie niet de
beoordeling heeft gekregen die zij kennelijk wenste.

De Commissie begrijpt uit de Beschouwing dat de bezwaarbehandelaar van UHT een
herbeoordelingsverzoek voor de jaren 2009 en 2010 heeft ingediend bij het
beoordelingsteam. Deze gang van zaken zal leiden tot een nieuw primair besluit over die jaren, waartegen de mogelijkheid van bezwaar openstaat. De Commissie heeft daarom besloten de onderhavige bezwaarprocedure niet aan te houden in afwachting van deze aanvullende herbeoordeling.

Afwijzing compensatie over de jaren 2012, 2013 en 2014
De Commissie begrijpt het betoog van belanghebbende met betrekking tot de afwijzing van compensatie over de jaren 2012, 2013 en 2014 zo, dat zij meent dat UHT ten onrechte heeft geoordeeld dat de verlagingen van de KOT het gevolg waren van door haar doorgegeven wijzigingen. De Belastingdienst/Toeslagen zou volgens haar hebben opgemerkt dat zij niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie en dat de KOT om die reden is verlaagd.

Met betrekking tot deze toeslagjaren is de Commissie het volgende gebleken. Voor het
toeslagjaar 2012 is de neerwaartse correctie gebaseerd op het bij het antwoordformulier van 18 augustus 2013 door belanghebbende overgelegde jaaroverzicht van Kinderopvang (productie 43) en op een hoger vastgesteld toetsingsinkomen (productie 45). Voor toeslagjaar 2013 en 2014 zijn de correcties volgens de toelichting in het informatie- en beoordelingsformulier gebaseerd op de digitale wijzigingen die door belanghebbende zijn doorgegeven en op wijzigingen van het toetsingsinkomen (producties 52 en 58). Dit is door belanghebbende niet betwist.

Gelet op het voorgaande overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen over deze jaren waren het gevolg van te hoge voorschotten, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. De bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is niet gesteld dat B/T met betrekking tot deze jaren ten onrechte een betalingsregeling heeft geweigerd, zodat er ook geen aanleiding is voor het toekennen van een tegemoetkoming volgens artikel 2.6, Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Standaard vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de standaard vergoeding voor immateriële schade van
€ 1.530,-, zoals die aan haar is toegekend, te laag is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat de vergoeding voor immateriële schade, als bepaald in
artikel 2.2, onderdeel d van de Wht, een forfaitaire compensatie betreft. Volgens artikel 2.3, lid 4, Wht is deze vergoeding maximaal het bedrag van de kinderopvangtoeslag dat niet is toegekend of is teruggevorderd als gevolg van een beschikking die ten grondslag ligt aan de compensatie. In het geval van belanghebbende is dit bedrag € 1.530,-, de hoogte van de terugvordering die is ontstaan uit de beschikking van 26 november 2013. De Commissie volgt UHT daarom in haar standpunt dat dit onderdeel van de
compensatieberekening op juiste wijze is berekend. Het bezwaar is op dit onderdeel
ongegrond.

Rentevergoeding gemiste KOT
UHT heeft op verzoek van de Commissie de compensatieberekening gecontroleerd.
Hierbij heeft UHT geconstateerd dat de rentevergoeding over de gemiste KOT vanaf de
verkeerde startdatum is berekend, namelijk vanaf 24 oktober 2013 in plaats van 1 juli 2013. Met inachtneming van het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op
het betreffende toeslagjaar en dat eindigt op de datum van de compensatiebeschikking, moet een rente van € 596,- worden toegekend, in plaats van het bij bestreden beschikking toegekende bedrag van € 541,-. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt van UHT. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

Ter voorlichting van belanghebbende merkt de Commissie op dat deze wijziging niet zal leiden tot een nabetaling, nu hiermee het nieuwe totaalbedrag aan compensatie niet boven het al uitgekeerde bedrag van € 30.000,- uit komt.

Motivering van de bestreden besluiten
Nu de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DHR volgens de Commissie niet in
stand kan blijven, zoals hierboven uiteengezet, staat daarmee vast dat de motivering
van deze beschikking tekort schiet en dat deze bij beslissing op bezwaar moet worden
verbeterd. De bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A
komen de Commissie als voldoende gemotiveerd en zorgvuldig voorbereid voor.

Werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat het onrechtmatige handelen ten aanzien van het jaar 2011
heeft doorgewerkt in de jaren 2012 tot en met 2014. Dat in die latere jaren geen
onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden, betekent volgens belanghebbende niet dat zij gedurende die jaren geen schade heeft geleden. Daarnaast betoogt belanghebbende dat de (standaard) vergoeding voor immateriële schade geen recht doet aan het leed dat belanghebbende is aangedaan.

De Commissie overweegt dat de huidige procedure ziet op de toekenning van de
standaard (forfaitaire) vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade of de Stichting (Gelijk)waardig Herstel. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Kindregeling
Belanghebbende stelt in haar bezwaarschrift dat ten onrechte geen vergoeding voor
haar kinderen is toegekend. In haar beschouwing merkt UHT op dat de kinderen van
belanghebbende bij beschikkingen van 14 juni 2023 geïnformeerd zijn over de
compensatie die hen toekomt op grond van de Kindregeling. Verdere bespreking van
deze compensatie laat de Commissie achterwege, omdat deze buiten de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure valt.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.
Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden kosten van
rechtsbijstand alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening zal niet tot gevolg hebben dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde €30.000,-. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging van het rechtsgevolg. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één
procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken
adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DHR in zoverre te herroepen;
  • het bezwaar tegen de bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en
    UHT-DH5 A ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige
    bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met een wegingsfactor
    twee tegen het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter