Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-12016

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DC I A en 13 maart 2023 met kenmerk UHT O OGS B

Hoorzitting: 17 februari 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een vergoeding voor de proceskosten toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS).

Aan belanghebbende is compensatie toegekend voor in totaal een bedrag van €88.660,-voor de jaren 2009, 2011, 2012, 2013 en februari tot en met juli 2014. Voor het jaar 2010 en de maanden januari en augustus tot en met december 2014 is geen compensatie toegekend.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft UHT op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft bij de herbeoordeling gekeken naar de toeslagjaren 2009 tot en met 2014 en haar voorgenomen beschikkingen voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
  • De CvW heeft de voorgenomen beschikkingen op 12 januari 2022 beoordeeld en geconcludeerd dat belanghebbende over het toeslagjaar 2010 en de maanden januari en augustus tot en met december 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid bij de uitvoering.
  • UHT heeft aan belanghebbende bij beschikking van 21 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I voor de toeslagjaren 2009, 2011, 2012, 2013 en de maanden februari tot en met juli 2014 een definitief compensatiebedrag toegekend van in totaal € 88.660,- wegens vooringenomen handelen.
  • UHT heeft aan belanghebbende bij beschikking 21 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC-I A geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2010 en de maanden januari en augustus tot en met december 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 28 en 31 oktober 2022 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft aan belanghebbende bij beschikking van 13 maart 2023 met kenmerk UHT-O OGS B voor het toeslagjaar 2010 een tegemoetkoming toegekend van €148,- wegens een onterechte O/GS kwalificatie.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 maart 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 17 oktober 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 17 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 maart 2025 en 28 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie en aanvullende gegevens overlegd. Gemachtigde heeft daar op 30 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Beoordeling afwijzing compensatie 2010 en 2014

De Commissie heeft geen aanleiding gevonden om te concluderen dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2010 en voor de maanden januari en augustus tot en met december van het toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de BD/T dan wel hardheid van het stelsel.

2010
De KOT over het toeslagjaar 2010 bestond uit een voorschotbedrag van €11.986,-. Op 3 juli 2013 is de KOT naar beneden bijgesteld van € 11.986,- naar € 11.495,- vanwege een hoger vastgesteld toetsingsinkomen van belanghebbende.
De Commissie is het met UHT eens dat dit een reguliere wijziging betreft.
Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd en geeft in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.

Daarnaast constateert de Commissie dat de gegevens in de systemen van BD/T voor dit jaar overeenkomen met het RKT overzicht. De Commissie acht de conclusie van UHT dat voor het jaar 2010 geen recht bestaat op compensatie juist en adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren.

2014
Uit het dossier komt naar voren dat belanghebbende in januari 2014 in Suriname verbleef met haar kinderen. Vanaf augustus tot en met december 2014 woonde belanghebbende weer in Nederland. In deze periode was zij niet werkzaam en volgde zij geen opleiding. Hierdoor behoorde belanghebbende in deze perioden niet tot de doelgroep die in aanmerking komt voor KOT. Uit de gegevens van KOI-viewer is verder niet gebleken dat belanghebbende over het toeslagjaar 2014 kinderopvang heeft afgenomen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in deze maanden kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om hier anders over te oordelen en acht de conclusie van UHT dat er over deze maanden evident geen recht bestaat op compensatie juist. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV-melding en boetedossier
Tijdens de hoorzitting merkt belanghebbende op dat zij vermeldt staat op de lijst van de zogenoemde Fraude Signalerings Voorziening (hierna: FSV). Zij heeft gevraagd om een screenshot van de FSV-melding en het bijbehorende FSV-dossier. Ook heeft zij verzocht om het boetedossier waarvan melding wordt gemaakt in het bezwaardossier met betrekking tot toeslagjaar 2010. Mogelijk spelen deze dossiers een rol in de beoordeling van UHT.

UHT heeft de screenshot van de FSV-melding overlegd. Na nader onderzoek in de systemen van de BD/T is daarnaast een email aangetroffen met de melding dat belanghebbende op de FSV-lijst staat. Volgens UHT is de melding dat belanghebbende op de FSV lijst staat niet van invloed geweest op de beoordeling. Verder is er geen boetedossier aangetroffen in de systemen van BD/T. Uit het overzicht van het Landelijk Incassocentrum (hierna LIC) blijkt dat er in 2010 géén boetes zijn opgelegd. UHT gaat uit van een verschrijving.

De Commissie heeft naar aanleiding van de stukken in het bezwaardossier en de overgelegde informatie van UHT geen aanknopingspunten gevonden die erop zouden kunnen wijzen dat de FSV-melding van invloed is geweest op de beoordeling van UHT. Dat er sprake zou zijn geweest van mogelijk achterhouden van stukken is naar het oordeel van de Commissie niet aannemelijk geworden. Gegevens die een begin daarvan ondersteunen zijn na de betreffende zoekslagen in de systemen niet op tafel gekomen.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening

Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: BD/T) tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 en de maanden februari tot en met juli 2014 individueel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-DC I een forfaitair compensatiebedrag van € 88.660,-toegekend aan de hand van een compensatieberekening. Belanghebbende heeft deze op verschillende punten bestreden. De Commissie beoordeelt de compensatieberekening als volgt.

UHT heeft gedurende deze bezwaarprocedure geconstateerd dat meerdere onderdelen van de compensatieberekening onjuist zijn berekend. Het gaat om:

  • onderdeel o, de rente gemiste KOT in de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2009 en 2011 tot en met 2014;
  • onderdeel a, het bedrag KOT vóór de onterechte neerwaartse bijstelling voor het toeslagjaar 2014;
  • onderdelen c en e, de bedragen KOT die niet zijn verkregen of terug moesten worden betaald;
  • onderdeel h, het bedrag voor materiële schade voor het toeslagjaar 2014.

UHT geeft aan deze bedragen conform haar schriftelijke reactie d.d. 17 oktober 2024 te zullen aanpassen bij de beslissing op bezwaar voor zover dit niet in het nadeel van belanghebbende is. De Commissie komt niet tot een ander oordeel, acht de berekening van UHT juist en zal in lijn hiermee adviseren. De Commissie acht het bezwaar in zoverre gegrond.

Vergoeding immateriële schade tot het moment van de beslissing op bezwaar
De Commissie overweegt dat de vaste (“forfaitaire”) vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n) een vergoeding is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbende ervaart omdat het lang duurt voordat de compensatie definitief is berekend. Belanghebbende heeft door de bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve berekening van haar compensatie en hiervan stress ervaren die nog steeds voortduurt. Het bezwaar is deels gegrond. In een dergelijke situatie hanteert UHT als einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade het moment van de beslissing op bezwaar. De Commissie ziet, in deze zelfde lijn, aanleiding UHT te adviseren de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot het moment van de beslissing op bezwaar. Bovenstaande brengt met zich mee dat ook de aanvullende vergoeding (onderdeel p) van de compensatieberekening opnieuw berekend en vastgesteld moet worden.

Beoordeling tegemoetkoming O/GS kwalificatie

UHT heeft aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2010 een tegemoetkoming toegekend van € 148,- wegens een onterechte O/GS kwalificatie. Belanghebbende bestrijdt de hoogte van de tegemoetkoming.

De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.6, lid 1 in samenhang gelezen met lid 2 van de Wht, de O/GS-tegemoetkoming 30% van het bedrag van de terugvordering bedraagt waarvoor geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd.
Het terugvorderingsbedrag over toeslagjaar 2010 bedraagt € 491,-. De Commissie acht de berekening van UHT juist en heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten opzichte van belanghebbende anders over te oordelen. Het bezwaar is ongegrond.

Schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Nu de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH I niet in stand kan blijven, zoals hierboven beschreven, staat vast dat de totstandkoming van deze beschikking onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd. De Commissie acht het niet aannemelijk dat andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij de besluitvorming van de bestreden beschikkingen in het gedrang zijn gekomen.

Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht en adviseert om de primaire beschikking met kenmerk UHT-DC I te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT bij beslissing op bezwaar:

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren; en daarbij
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
  • de rentevergoeding voor gemiste KOT vast te stellen zoals omschreven in de schriftelijke reactie van UHT;
  • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter