Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12012

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 19 en 22 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DC I, UHT-DH5 A en UHT-O OGS B

Ontvangst bezwaarschrift: 28 oktober 2022

Hoorzitting: 18 juni 2024

Overdracht advies aan UHT: 2 september 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaarschrift tegen de bestreden beschikking (UHT-DC I) gedeeltelijk
gegrond te verklaren, de overige bezwaren ongegrond te verklaren en een
vergoeding voor de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende op 27 oktober 2022 afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de onderscheiden beschikkingen van 19 en 22 september 2022:

  1. waarbij belanghebbende is meegedeeld dat bij de beoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) is gebleken dat er geen fouten zijn gemaakt over de toeslagjaren 2012 en 2013 (UHT-DC-I A);
  2. waarbij belanghebbende is meegedeeld dat bij de beoordeling van haar KOT is
    gebleken dat er fouten zijn gemaakt ten aanzien van de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 en dat zij daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 74.729 (UHTDC I);
  3. waarbij belanghebbende is meegedeeld dat niet is gebleken dat haar KOT over 2012 en 2013 te laag is vastgesteld (UHT-DH5 A);
  4. waarbij belanghebbende is meegedeeld dat zij recht heeft op een tegemoetkoming opzet/grove schuld van € 12.702 ten aanzien van de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 (UHT-O OGS B).

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het
bepaalde in artikel 8.6 en 9.2 Wht worden de bestreden beschikkingen geacht te zijn
genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft telefonisch verzocht om een herbeoordeling van haar KOT.
  • Bij beschikking van 23 juni 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij in
    aanmerking voor een compensatiebedrag van € 30.000.
  • Op 11 juli 2022 heeft de Commissie van Wijzen (CvW) advies uitgebracht. De CvW
    heeft overwogen, kort gezegd dat de compensatieregeling niet van toepassing op de
    toeslagjaren 2012 en 2013 maar dat belanghebbende voor toeslagjaar 2012 wel in
    aanmerking komt voor een O/GS tegemoetkoming. Verder is de CvW tot het oordeel
    gekomen dat voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 de compensatieregeling wel
    van toepassing is.
  • Op 19 en 22 september 2022 heeft UHT de hierboven genoemde beschikkingen
    genomen.
  • Op 27 oktober 2022 heeft gemachtigde afzonderlijke bezwaarschriften ingediend.
  • Op 30 oktober 2023 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 18 juni 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit
    advies gevoegd.
  • Op 2 juli 2024 heeft UHT een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
    Gemachtigde heeft gelegenheid gehad om binnen een termijn van twee weken
    hierop te reageren. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
  • De Commissie heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Gelet op de onderlinge samenhang tussen de onderscheiden beschikkingen, zal de
Commissie de hiertegen afzonderlijk ingediende bezwaren gevoegd behandelen.

Geen persoonlijk dossier en onvolledig bezwaardossier: schending van ‘equality of arms’
Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT handelt in strijd met het beginsel van
equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat zij niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier en daardoor niet kan controleren of het vastgestelde compensatiebedrag juist is. De
Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van
artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op
bezwaar van UHT, zoals die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een
belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de bestuursrechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een
belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften
van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de
bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of
verrekeningen toeslagen”, is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben
gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen beschikkingen. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad en dat het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden is. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.

Motivering van de beschikkingen
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de
motivering van de bestreden beschikkingen en van het hieraan ten grondslag liggende
onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden
beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een
gebrekkige motivering sprake is. De Commissie is van oordeel dat door middel van het
indienen van het schriftelijke verweer, met daarin een uitgebreide uitleg per component van de compensatieberekening, en het verstrekken van de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en de overige producties, de bestreden beschikkingen voldoende zijn onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT het bezwaar ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding over gemiste KOT
In de schriftelijke reactie stelt UHT dat de berekening van de rentevergoeding over de
gemiste KOT niet correct is. Met betrekking tot toeslagjaar 2011 had dit € 7.534 moeten zijn in plaats van € 7.079. De Commissie adviseert UHT om bij de beslissing op bezwaar de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT uit haar beschouwing van 30 oktober 2023 toe te passen. Dit onderdeel van bezwaar is gegrond.

Immateriële schadevergoeding
UHT heeft aangegeven dat nu de rente over gemiste KOT moet worden aangepast, de
vergoeding voor immateriële schade dient te worden doorberekend tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de hoogte van de vergoeding voor
immateriële schade bij de beslissing op bezwaar opnieuw dient te worden vastgesteld.

Aanvullende vergoeding van 1 procent
Het advies van de Commissie om de vergoeding voor de rente over gemiste KOT en de
einddatum van de vergoeding voor immateriële schade aan te passen, leidt ertoe dat d
aanvullende vergoeding van 1 procent in de beslissing op bezwaar over een hoger
subtotaal moet worden berekend dan het geval is in de definitieve
compensatiebeschikking.

Beslagvrije voet t.a.v. 2012 en 2013
Belanghebbende heeft betwist dat B/T in 2012 en 2013 rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl de gegevens hiervoor wel bij B/T voorhanden waren.

De Commissie overweegt dat de verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over jaren 2012 en 2013 aan de KOT is gegeven. Belanghebbende heeft over het
laatstgenoemde jaren op grond van artikel 2.6 Wht een tegemoetkoming van 30% van
het terug gevorderde bedrag ontvangen. Belanghebbende bestrijdt niet de juistheid
hiervan, maar vindt het aangewezen dat schade als gevolg van de verrekeningen wordt
vergoed. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als
belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke
schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij op grond van wat is bepaald in artikel 2.6, lid 3, Wht een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade. Aan de bezwaargrond dat de B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te
verklaren.

Evident geen recht op KOT (2012 en 2013)
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een echtgenoot een toeslagpartner. Belanghebbende is getrouwd met haar partner in 2012. Ook in het buitenland woonachtige echtgenoten worden aangemerkt als toeslagpartner. B/T heeft over het berekeningsjaar 2012 en 2013 de echtgenoot als toeslagpartner van belanghebbende aangemerkt.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2012 en 2013 niet
voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.6, derde lid, aanhef en onder a, van de Wko.
Aan de voorwaarden van dit artikel wordt voldaan, voor zover in deze zaak relevant, in
het geval een ouder een partner heeft die in Nederland, een andere lidstaat of
Zwitserland woont en werkt. In de periode 2012 en 2013 woonde de toeslagpartner in
Spanje en in Nederland. Niet is gebleken dat de toeslagpartner heeft gewerkt in
Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland. Artikel 1.6 van de Wko biedt geen ruimte om uitzonderingen te maken op deze voorwaarden.

Naar het oordeel van de Commissie bestond voor de toeslajaren 2012 en 2013 evident
geen recht op KOT en is een compensatie niet aan de orde. Het verzoek om een
verzendadministratie te overleggen voor deze toeslagjaren laat de Commissie derhalve
buiten beschouwing.

O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende heeft gesteld dat het totaalbedrag dat zij heeft moeten terugbetalen
hoger is geweest dan € 42.340 en dat de O/GS-tegemoetkoming dan ook hoger dient te zijn.
De Commissie stelt vast dat in 2012 en 2013 voor een bedrag van € 42.340 aan KOT is
teruggevorderd. 30 procent hiervan bedraagt € 12.702. Er is onvoldoende aannemelijk
gemaakt dat dit bedrag onjuist is.

Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor
rechtsbijstand. Omdat de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn en op onderdelen leiden tot herroeping van de bestreden beschikking, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • Het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de berekening van de rente over de gemiste KOT (2011) en de vergoeding immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1 procent aan te passen als hierboven overwogen;
  • De bestreden beschikking op deze punten te herroepen en de compensatie opnieuw
    te berekenen;
  • De overige bezwaren ongegrond te verklaren;
  • Het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter