BAC 2022-12010
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 oktober 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DC I, UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 26 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 9 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van €8.492,- voor de jaren 2015 en 2016, januari en februari. Er is geen compensatie toegekend voor het jaar 2016 voor de maanden maart tot en met december. Het compensatiebedrag is niet aangevuld tot €30.000.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 en 2016.
- Bij besluit van 30 april 2021 is aan belanghebbende meegedeeld dat zij in het kader van de lichte toets niet voor compensatie in aanmerking komt.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2016 voor de periode 17 februari tot en met 31 december geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij besluit van 19 oktober 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €8.492,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DC I aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2016 voor de periode 17 februari tot en met 31 december.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2022, ingekomen op dezelfde dag, tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 8 juli 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 23 oktober 2025 heeft gemachtigde verzocht om een gevoegde behandeling van het bestreden besluit, en het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van de ex-partner van belanghebbende. Daarnaast heeft gemachtigde op deze datum de gronden aangevuld.
- De Commissie heeft op 11 november 2025 de partijen geïnformeerd dat de Commissie op dit moment geen aanleiding ziet om de zaken gevoegd te behandelen.
- UHT heeft op 14 november 2025 schriftelijk gereageerd op het aanvullende bezwaarschrift.
- Belanghebbende heeft bij brief van 25 november 2025 het bezwaar aangevuld.
- Op 26 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 december 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 16 december 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2015 en 2016 voor de maanden januari en februari op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2016 maanden maart tot en met december af te wijzen.
Artikel 2.7, tweede lid, Wht
Belanghebbende voert aan dat zij, evenals haar voormalige partner, aanspraak heeft op een compensatiebedrag van € 30.000. UHT stelt dat belanghebbende, gelet op artikel 2.7, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen, slechts in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 10.000.
De Commissie stelt voorop dat het, op grond van artikel 3, tweede lid, van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: Instellingsregeling), niet tot haar taak behoort om te adviseren in zaken waarin de toepassing van artikel 2.7, tweede lid, Wht ter beoordeling voorligt. De Commissie onthoudt zich daarom van advisering op dit onderdeel.
Gelet op de schrijnende situatie van belanghebbende merkt de Commissie echter wel het volgende op. Belanghebbende is in de jaren 2015 en 2016 aanvrager geweest van KOT voor de opvang van haar zoon. Na het verbreken van de relatie met haar ex-partner is door de ex-partner in 2016 KOT aangevraagd en ontvangen voor de opvang van haar zoon. Belanghebbende heeft zich als eerste aangemeld bij UHT in het kader van de herstelregeling. Naar aanleiding hiervan heeft UHT op 30 april 2021 aangegeven dat zij in het kader van de lichte toets niet in aanmerking komt voor compensatie. De ex-partner is op 18 september 2021 in het kader van de lichte toets wel als gedupeerde aangemerkt en hij heeft op grond hiervan direct € 30.000 ontvangen. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende duidelijk gemaakt dat de gevolgen van nihil stelling van de KOT over de jaren 2015 en 2016 bij haar terecht zijn gekomen, doordat B/T overging tot verrekening met toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting waar zij recht op had in de jaren 2016-2020. Er is sprake geweest van terugvorderingen en dwangbevelen, waardoor belanghebbende in financiële problemen is beland wat voor veel stress en paniekaanvallen heeft gezorgd. De Commissie begrijpt heel goed dat het voor belanghebbende onrechtvaardig voelt dat zij nu slechts in beperkte mate wordt gecompenseerd, terwijl zij geen invloed heeft gehad op de wijze van afhandeling cq behandeling van het door haar ingediende herstelverzoek. Ondanks bovenstaande brengt de wettelijke bepaling met zich mee dat het forfaitaire bedrag alleen wordt toegekend aan de ouder van wie UHT het recht op het forfaitaire bedrag het eerste heeft vastgesteld en dat is de ex-partner van belanghebbende.
Tijdens de hoorzitting heeft UHT aangegeven dat nu belanghebbende is erkend als gedupeerde in de zin van de Wht zich wel kan aanmelden voor één van de aanvullende schaderoutes.
Toeslagjaar 2016
Tussen partijen is niet in geschil dat UHT over toeslagjaar 2016 vooringenomen heeft gehandeld. Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Belanghebbende stelt dat voor de maanden maart en april geen sprake is van ernstige onregelmatigheden en zij daarom ook voor deze maanden gecompenseerd dient te worden. Belanghebbende heeft verklaard dat zij, samen met haar kind, tot en met half april 2016 bij haar moeder heeft gewoond en zij voor deze periode ook de kosten van de opvang heeft voldaan. Daarnaast verklaart belanghebbende dat zij de KOT per half april 2016 heeft stopgezet, maar dat deze stopzetting niet is doorgekomen bij B/T.
UHT stelt in haar aanvullende beschouwing dat uit de systemen van B/T volgt dat de zoon van belanghebbende tot 17 februari 2016 op hetzelfde adres stond ingeschreven als belanghebbende. De verhuizing van het kind is administratief opgevoerd op 28 januari 2016. Deze datum betreft de registratie van de verhuizing en sluit niet uit dat de feitelijke verhuizing op een later moment heeft plaatsgevonden. De door belanghebbende afgelegde verklaringen ondersteunen dit scenario. Gelet op zowel de administratieve opvoerdatum als de verklaring van belanghebbende acht UHT het voldoende aannemelijk dat belanghebbende en haar zoon feitelijk tot en met april 2016 op hetzelfde adres hebben gewoond. Voor het toeslagjaar 2016 bestaat derhalve recht op compensatie over de periode januari tot en met april 2016.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT dienovereenkomstig.
Compensatieberekening
UHT is tot de conclusie gekomen dat component n (immateriële schade) en component o (toeslagrente) onjuist zijn vastgesteld. De onjuiste berekening bij component o over 2015 is in het nadeel van belanghebbende. UHT is voornemens om deze component aan te passen. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT dienovereenkomstig adviseren.
Aanvullende schadevergoeding
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in https://schadeherstel.toeslagen.nl/.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- compensatie toe te kennen op grond van compensatieregeling voor de maanden maart en april 2016;
- de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen
- de rentevergoeding over gemiste KOT 2015, en
- compensatieberekening 2016.
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter