BAC 2022-12008
Publicatiedatum 11-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 maart 2023 (UHT-DH A; UHT-DC I A; UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 5 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 5 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikkingen in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikkingen worden hierna aangeduid als de bestreden beschikkingen.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 juli 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2014 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 1 mei 2021 met kenmerk CAP/UCF/21/093 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 24 oktober 2022, ingekomen op 26 oktober 2022, tegen deze beschikkingen drie bezwaarschriften ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 september 2023 de bezwaarschriften aangevuld.
- UHT heeft op 18 maart 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 april 2024 de bezwaarschriften nogmaals aangevuld.
- Op 5 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
- UHT heeft, daartoe na de hoorzitting door de Commissie verzocht, op 9 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 13 januari 2026 gereageerd dat belanghebbende zich aan het oordeel van de Commissie refereert.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Voor zover de bestreden beschikkingen onzorgvuldig zijn voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Afwijzing compensatie
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2014 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De verlagingen van de KOT in deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat te hoge voorschotten waren toegekend.
De KOT over het toeslagjaar 2014 is op grond van de door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens verlaagd. De KOT over het toeslagjaar 2015 is op grond van de door belanghebbende overgelegde jaaropgave en de door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens verlaagd, omdat hieruit volgde dat belanghebbende minder opvanguren had afgenomen. Over het toeslagjaar 2016 is de KOT ten eerste op grond van de door belanghebbende overgelegde jaaropgave verlaagd. De tweede verlaging was het gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen. De KOT is in overeenstemming met de door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens vastgesteld. De KOT over het toeslagjaar 2017 is eerst verlaagd naar aanleiding van een door belanghebbende doorgegeven wijziging in het aantal opvanguren. De tweede verlaging is het gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen en is in overeenstemming met de door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens gedaan. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat de schrijffout in de beoordeling van het toeslagjaar 2017 van invloed is geweest op de uitkomst van deze beoordeling. De KOT over het toeslagjaar 2018 is door een stijging van het toetsingsinkomen verlaagd. De KOT is vastgesteld in overeenstemming met de gegevens die de kinderopvanginstelling heeft doorgegeven. De eerste verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2019 was het gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen.
Belanghebbende stelt dat de B/T niet had mogen uitgaan van de gegevens die de kinderopvanginstelling had gegeven, maar dat hierover eerst bij haar een informatie-uitvraag had moeten worden gedaan. De Commissie is van oordeel dat voor de B/T over deze toeslagjaren geen aanleiding bestond om aan de doorgegeven gegevens te twijfelen. De B/T was niet verplicht tot navraag, kon dat wel doen als daar wel aanleiding voor was. Uit de op verzoek van de Commissie door UHT overgelegde stukken met betrekking tot het rechtmatigheidsonderzoek over de KOT in het toeslagjaar 2016 volgt dat wel contact is opgenomen met belanghebbende om na te gaan of de door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens juist waren. Zij heeft dit destijds bevestigd. De Commissie heeft daarnaast geen aanwijzingen gevonden dat belanghebbende in de betrokken jaren meer kinderopvang heeft afgenomen dan waarvoor aan haar KOT is toegekend.
Belanghebbende stelt verder dat een groot verschil bestaat tussen het bedrag aan KOT in de voorschotbeschikking en de definitieve beschikking over het toeslagjaar 2019.
De KOT over het toeslagjaar 2019 is op 6 november 2020 definitief vastgesteld. De compensatieregelingen zijn niet van toepassing op handelingen van de B/T vanaf 23 oktober 2019, tenzij een causaal verband bestaat tussen die handelingen en het vooringenomen handelen door de B/T van vóór die datum. Nu geen vooringenomenheid is vastgesteld in de voorgaande toeslagjaren, komt de Commissie niet aan verdere beoordeling van dit jaar toe.
Uit het voorgaande blijkt dat de voorschotten over de toeslagjaren 2014 tot en met 2019 vanwege reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. Er was ook geen sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) over deze toeslagjaren. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat voor de terugvordering over het toeslagjaar 2015 een verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling is geweigerd. Daarom bestaat geen aanspraak op een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
- de bestreden beschikkingen in stand te laten;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter