Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-12004

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 september 2022 (UHT-DHR; UHT-DC I; UHT-DC-I A;

UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 5 maart 2025

Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.051,- voor het jaar 2013 en voor de periode januari tot en met juli van 2016. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2014 en voor de periode augustus tot en met december van 2016.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 april 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2016. In overleg tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid met de jaren 2009, 2010, 2012, 2013 en 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 21 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij nog niet in aanmerking komt voor een vergoeding van €30.000,- ingevolge de Catshuisregeling. Gemachtigde heeft op 11 juni 2021 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. UHT heeft bij beschikking van 10 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij alsnog in aanmerking komt voor een vergoeding van € 30.000,- ingevolge de Catshuisregeling. Bij beslissing op bezwaar van 23 april 2024 heeft UHT het bezwaar tegen de beschikking van
    21 mei 2021 gegrond verklaard.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2014 en de periode augustus tot en met december van 2016.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2014 en de periode augustus tot en met december van 2016.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met kenmerk UHT-DC I en UHT-DHR aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €13.051,-voor het jaar 2013 en de periode januari tot en met juli van 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 oktober 2022, ingekomen op 25 oktober 2022, tegen bovengenoemde beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft het bezwaarschrift op 19 maart 2024 aangevuld.
  • UHT heeft op 24 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 30 december 2024 heeft gemachtigde bericht dat gemachtigde X de vertegenwoordiging van belanghebbende heeft overgenomen.
  • Op 5 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. Op de hoorzitting heeft gemachtigde X een aanvullend stuk overgelegd.
  • Gemachtigde X heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 18 en 21 april 2025 aanvullende stukken ingediend. UHT heeft daarop op 5 mei 2025 gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2013 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2014 af te wijzen.

Toeslagjaar 2009
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2009 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2009 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van een wijziging in het toetsingsinkomen opnieuw is berekend. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hieraan geen aanspraak op compensatie kan worden ontleend. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010

Vooringenomen handelen
De Commissie heeft voor toeslagjaar 2010 geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.

De KOT is voor dat jaar bij beschikking van 4 december 2009 automatisch gecontinueerd. Vervolgens is de KOT neerwaarts gecorrigeerd bij beschikking van 21 augustus 2010 vanwege de stopzetting door belanghebbende per 28 mei 2010 (productie 68). Belanghebbende heeft hierover verklaard dat haar dochter vanaf die datum bij haar vader is gaan wonen (productie 8, onderdeel D).

Opvallend is dat de KOT bij de definitieve beschikking van 15 oktober 2013 weer wordt verhoogd en wordt toegekend voor het volledige jaar 2010. Het is niet gebleken dat belanghebbende hieraan voorafgaand opnieuw KOT heeft aangevraagd of de stopzetting heeft terug willen draaien. Mogelijk houdt de verhoging verband met het verwerken van de gegevens van de kinderopvanginstelling op 7 mei 2013 (productie 28, blz. 144, behandelstap 2013-05-07 en productie 8, tijdlijn blz. 42: 'Beschikking is gebaseerd op uren van belanghebbende en partner voor het hele jaar 2010'). De Commissie is van mening dat hoewel mogelijk in afwijking van de wilsuitingen van belanghebbende is beslist, daarbij geen sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.

Hardheid

Betaling aan kinderopvanginstelling X
Van het KOT-voorschot dat werd toegekend bij de beschikking van 4 december 2009, is een bedrag van € 7.294,- uitbetaald aan kinderopvanginstelling X. De KOT werd bij beschikking van 21 augustus 2010 verlaagd met € 6.500,-, waarvan €2.852,- door belanghebbende is terugbetaald (productie 30). Volgens de KOI-viewer (productie 78) heeft bij Kinderopvanginstelling X kinderopvang plaatsgevonden in de periode januari tot en met juli 2010 voor een totaalbedrag aan opvangkosten van €4.908,75 (825 uur x € 5,95). Blijkens de door belanghebbende ingestuurde factuur van augustus 2010 liep de opvang in augustus door voor een bedrag van €464,10. Daarmee is aannemelijk dat er €1.921,15 (€ 7.294,- min € 4.908,75 min € 464,10) te veel is uitbetaald aan Kinderopvanginstelling X. Het is niet gebleken dat dit bedrag aan belanghebbende ten goede is gekomen.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de voorwaarden die UHT in haar beleid stelt voor het toekennen van hardheidscompensatie (Handboek IB - Vaktechniek, v. 3.14, blz. 46) De Commissie adviseert UHT daarom om deze compensatie aan belanghebbende toe te kennen. Indien UHT de compensatie niet toekent, wordt zij geacht nader te motiveren waarom haar beleid hier in het geval van belanghebbende geen toepassing vindt.

Betaling aan Kinderopvanginstelling Y
Naar aanleiding van de opwaartse correctie bij definitieve beschikking van 15 oktober 2013, heeft B/T een bedrag van € 4.537,- uitbetaald aan Kinderopvanginstelling Y (productie 30). Belanghebbende heeft voor toeslagjaar 2010 echter geen KOT aangevraagd voor deze opvanginstelling, noch is gebleken dat zij in 2010 opvang bij deze instelling heeft afgenomen. Het bedrag is echter niet bij belanghebbende teruggevorderd. Evenmin is gebleken dat belanghebbende op een andere manier is benadeeld door deze betaling. De Commissie is daarom van opvatting dat de uitbetaling aan Kinderopvanginstelling Y niet tot (een hogere) compensatie kan leiden.

Toeslagjaar 2012

Vooringenomen handelen
In 2012 vroeg belanghebbende KOT aan per 1 maart 2012 voor opvang bij KOI Kinderopvanginstelling Y (productie 69). Op 21 april 2012 is een voorschot toegekend conform de aanvraag. Bij beschikkingen van 21 juni en 21 juli 2012 is de KOT verhoogd, omdat belanghebbende had doorgegeven dat zij geen aanvullende bijdrage meer ontving (productie 71). Bij definitieve beschikking is de KOT verlaagd, mede op grond van KOI-gegevens (niet in dossier), waarmee een terugvordering ontstond van € 608,-. Er is daaraan voorafgaand geen uitvraag gedaan bij belanghebbende. Mede vanwege de geringe wijziging in het aantal opvanguren en het gelijk blijven van de opvangperiode, is de Commissie van opvatting dat voor B/T geen aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid van de voorhanden gegevens, die zij heeft gehanteerd voor het vaststellen van de KOT. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten om UHT te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.

Hardheid
Van het KOT-voorschot dat is toegekend bij beschikking van 21 april 2012, is een bedrag van € 1.605,- uitbetaald aan Kinderopvanginstelling X (productie 35). Het is niet aannemelijk geworden dat daar opvang tegenover heeft gestaan, noch dat het teveel betaalde door Kinderopvanginstelling X aan belanghebbende is terugbetaald. Aangezien niet wordt voldaan aan de voorwaarde die artikel 2.1 lid 4 Wht stelt voor het aannemen van hardheid van het stelsel (dat er minstens €1.500,- aan KOT is teruggevorderd in het betreffende toeslagjaar), komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie over 2012.

Toeslagjaar 2014

Vooringenomen handelen
Voor toeslagjaar 2014 heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.

Op 30 december 2013 heeft belanghebbende een nieuwe KOT-aanvraag gedaan voor toeslagjaar 2014. Bij beschikking van 22 januari 2014 heeft B/T een voorschot toegekend conform de aanvraag.

De verlaging van het KOT-voorschot bij beschikking van 22 april 2014 is het gevolg van een stopzetting door belanghebbende met ingangsdatum 1 april 2014 (productie 73). Hierbij is sprake van een reguliere wijziging.

Bij definitieve beschikking van 4 november 2016 is de KOT opnieuw verlaagd op basis van de door belanghebbende gewerkte uren zoals die volgen uit het systeem van B/T. Belanghebbende is daaraan voorafgaand, per brief van 7 juni 2016, in de gelegenheid gesteld om zelf informatie aan te leveren over de door haar gewerkte uren (productie 50). Op 9 juli 2016 is een rappelbrief verstuurd (productie 51). Belanghebbende heeft op 22 juli 2016 gevraagd om uitstel voor het aanleveren van de informatie, waarop B/T twee weken uitstel heeft verleend (productie 8, tijdlijn, blz. 49). Uiteindelijk heeft B/T geen informatie van belanghebbende ontvangen. De Commissie meent dat, gegeven voormelde omstandigheden, belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om haar recht op KOT aannemelijk te maken. Het handelen van B/T getuigt niet van vooringenomenheid.

Terugbetaalde KOT en hardheid
De Commissie begrijpt het bezwaar van belanghebbende zo, dat zij stelt in 2014 meer KOT te hebben terugbetaald dan dat zij eerder heeft ontvangen. UHT heeft met het LIC-overzicht (productie 53) inzichtelijk gemaakt welke bedragen feitelijk aan belanghebbende zijn uitbetaald, welke bedragen zijn terugbetaald en hoeveel rente er in rekening is gebracht. De Commissie meent, ook omdat door belanghebbende geen betaalbewijzen zijn overgelegd waaruit anders zou moeten blijken, dat mag worden aangenomen dat de LIC-overzichten een volledig overzicht geven van de betalingen en verrekeningen die feitelijk verricht zijn in het kader van de KOT. Uit deze overzichten volgt dat de feitelijke terugvorderingen in overeenstemming waren met de hierboven genoemde neerwaartse correcties. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat hierbij fouten zijn gemaakt. Bovendien hebben er geen uitbetalingen aan derden plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande is de Commissie van mening dat in de beoordeelde jaren sprake was van reguliere bijstellingen van de KOT, die conform de wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen.

Toeslagjaar 2016

Tussen partijen is niet in geschil dat B/T met betrekking tot toeslagjaar 2016 vooringenomen gehandeld heeft. UHT heeft hiervoor een compensatie naar rato toegekend voor de periode januari tot en met juli 2016.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan in het geval van belanghebbende sprake in de periode augustus tot en met december 2016, nu belanghebbende vanaf augustus 2016 geen geregistreerde kinderopvang meer afnam.

Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt niet bestreden. Bovendien is de opvang op 31 juli 2016 geëindigd, zoals blijkt uit de facturen die belanghebbende bij haar bezwaarschrift van 15 februari 2019 heeft overgelegd (productie 63) en uit de opzegbrief van belanghebbende van 31 juli 2016 bij Kinderopvanginstelling Z (overgelegd in de schriftelijke ronde na de hoorzitting). Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Het is de Commissie niet, althans onvoldoende, gebleken, dat zich bij belanghebbende zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan. Belanghebbende komt voor de periode augustus tot en met december 2016 dan ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding UHT in deze procedure te adviseren om een hogere standaardcompensatie aan belanghebbende toe te kennen voor toeslagjaar 2016. Indien belanghebbende stelt meer schade te hebben geleden als gevolg van het vooringenomen handelen door B/T over de periode januari tot en met juli 2016, bijvoorbeeld vanwege het maken van kosten van vervangende kinderopvang, kan zij een verzoek om een aanvullende schadevergoeding indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.

OIGS-tegemoetkoming
De Commissie overweegt dat een O/GS-tegemoetkoming op grond van artikel 2.6 van de Wht in beginsel alleen wordt toegekend wanneer een O/GS-kwalificatie werd gegeven. In het geval van belanghebbende volgt uit het overzicht van productie 67 dat er geen sprake was van een O/GS-kwalificatie. Nu bovendien niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht die is afgewezen, ziet de Commissie geen aanleiding UHT te adviseren om een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen.

Oe compensatieberekening voor de jaren 2013 en 2016

Vergoeding immateriële schade
Belanghebbende voert aan dat UHT maatwerk had moeten leveren bij het vaststellen van de vergoeding voor immateriële schade, nu haar persoonlijke omstandigheden daartoe aanleiding geven.

De Commissie stelt voorop dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijk geleden schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd.

Voor de thans aan belanghebbende toegekende standaardvergoeding voor immateriele schade geldt dat deze op grond van artikel 2.3, lid 4 Wht is gemaximeerd op het bedrag dat belanghebbende eerder moest terugbetalen of niet heeft ontvangen, inclusief rente (component e). Gelet op het voorgaande advies om aan belanghebbende compensatie toe te kennen vanwege hardheid over toeslagjaar 2010, adviseert de Commissie UHT om de vergoeding voor immateriele schade opnieuw vast te stellen en te motiveren in de beslissing op bezwaar.

Rentevergoeding over gemiste KOT
Belanghebbende heeft aangevoerd dat niet duidelijk is hoe de rente over gemiste KOT is berekend. UHT heeft zich in haar beschouwing op het standpunt gesteld dat de rente over gemiste KOT niet juist is berekend, nu de verkeerde begin- en einddata zijn gehanteerd. Met inachtneming van het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het betreffende toeslagjaar en eindigt op de datum van de compensatiebeschikking, dient er voor het jaar 2016 een rente van € 566,- te worden toegekend (productie 77), in plaats van het al toegekende bedrag van € 480,-. UHT zal de onjuist (te hoog) berekende rente over het jaar 2013 niet aanpassen, nu een correctie van die berekening in het nadeel van belanghebbende zou zijn. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt van UHT. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

1% aanvullende vergoeding
Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie, in lijn met het voornemen van UHT, om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.

Niet-beoordeeld toeslagjaar 2011
Op de hoorzitting heeft gemachtigde verzocht om alsnog een herbeoordeling te laten plaatsvinden van toeslagjaar 2011. Hij heeft ingestemd met het voorstel van UHT om de herbeoordeling van toeslagjaar 2011 in de beslissing op bezwaar op te nemen.

De Commissie houdt deze bezwaarprocedure niet aan. De Commissie geeft UHT in overweging om belanghebbende door middel van een schriftelijke vooraankondiging, voorafgaande aan het nemen van het besluit op bezwaar, de voorlopige uitkomst van de herbeoordeling mee te delen en belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.

Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel
Gemachtigde voert aan dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat de LIC-overzichten in het dossier ontbreken.

De Commissie merkt op dat de LIC-overzichten, als onderdeel van het bezwaardossier, op 6 januari 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden.

Nu de bestreden beschikkingen volgens de Commissie niet in stand kunnen blijven, staat daarmee inderdaad vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd.

Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
    • de vergoeding voor immateriele schade
    • de rente over gemiste KOT van toeslagjaar 2016
    • de 1% aanvullende vergoeding
  • aan belanghebbende voor toeslagjaar 2010 alsnog compensatie op grond van hardheid toe te kennen;
  • het bezwaar op de overige onderdelen ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter