BAC 2022-11983
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 mei 2022 (UHT CHR MGU)
13 oktober 2022 (UHT-DC-1 A)
13 oktober 2022 (UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 11 oktober 2024 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 26 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 5 mei 2022 met kenmerk UHT CHR MGU niet-ontvankelijk te verklaren, en om de bezwaren tegen de beschikkingen van 13 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende op 6 mei en 10 oktober 2022 ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van respectievelijk 5 mei 2022 met kenmerk: UHT CHR MGU en
13 oktober 2022 met kenmerken: UHT-DC-1 A en UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 5 mei 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- Belanghebbende heeft bij brief van 6 mei 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen deze beschikking.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij beschikkingen met dagtekening 13 oktober 2022 en kenmerken UHT-DC-1 A en UHT-DH5 A aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 geen compensatie toegekend omdat geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid.
- Gemachtigde heeft bij brieven gedateerd 10 oktober 2022 tegen deze beschikkingen bezwaarschriften ingediend.
- UHT heeft op 18 maart 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 augustus 2024 de bezwaarschriften aangevuld.
- UHT heeft op 25 september 2024 een aanvullende beschouwing ingediend.
- Op 11 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 13 november 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
5 maart 2025 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en belang
Bij beschikking van 5 mei 2022 heeft UHT na de eerste toets besloten om (nog) niet tot toewijzing van een compensatie over te gaan. Bij beschikkingen van
13 oktober 2022 heeft UHT, na een integrale beoordeling, het verzoek om compensatie over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 opnieuw afgewezen. Gemachtigde heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat belanghebbende nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van vorenbedoelde beschikking 'eerste toets' van 5 mei 2022. Het belang van vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten levert in ieder geval geen procesbelang (meer) op (vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2024, ECL1:NL:RVS:2024:1979 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2024, ECL1:NL:CRVB:2024:635). Dat betekent dat de Commissie, bij gebrek aan tot een andere conclusie dwingende omstandigheden, zal adviseren het bezwaarschrift tegen de beschikking van 5 mei 2022 niet-ontvankelijk te verklaren.
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften tegen de beslissingen van 13 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-1 A en UHT-DH5 A (verder onder meer aan te duiden als: "de bestreden besluiten") ontvankelijk zijn. Deze bezwaarschriften zullen hierna inhoudelijk worden behandeld.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De omvang van het geschil
Ter zitting heeft gemachtigde te kennen gegeven ten aanzien van het toeslagjaar 2010 advisering niet langer noodzakelijk is. De Commissie zal zich derhalve van advisering omtrent dat toeslagjaar onthouden.
De Commissie ziet zich, uitgaande van de resterende gronden van bezwaar, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Afwijzing compensatie toeslagjaren 2011 en 2012
Belanghebbende stelt dat compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 ten onrechte is afgewezen en dat sprake is van vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel.
Institutioneel vooringenomen handelen
Belanghebbende stelt primair dat ten onrechte is geoordeeld dat zij voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken, nu de vraagbrieven onbestelbaar retour zijn gekomen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
De Commissie overweegt dat B/T voor het toeslagjaar 2011 aanvullende informatie nodig had om het recht op KOT te beoordelen. Dit blijkt uit de vraagbrieven van 6 augustus 2012 (productie 47) en 31 maart 2014 (productie 48). Voor het toeslagjaar 2012 was eveneens nadere informatie vereist, zoals volgt uit de vraagbrieven van 29 november 2014 (productie 33) en 19 januari 2015 (productie 32). Er is in beide jaren dus tweemaal uitgevraagd. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld ABRvS 16 mei 2018, ECL1:NL:RVS:2018:1624) mocht B/T uitgaan van de adresgegevens zoals geregistreerd in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). Uit productie 60 volgt dat B/T in dit geval van het adres in de BRP is uitgegaan. 1ndien de gegevens daarin feitelijk onjuist waren, komt dit voor risico van belanghebbende. Bij gebreke aan aanwijzingen van het tegendeel kan bij deze feiten en omstandigheden in ieder geval niet worden gezegd dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Het feit dat de vraagbrieven van B/T onbestelbaar retour zijn ontvangen, kan dus niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
Belanghebbende heeft in bezwaar nog aangevoerd dat de melding '018 - Gegevens kinderopvangtoeslag worden doorgegeven', zoals meermalen opgenomen in de tijdlijn van het informatie- en beoordelingsformulier (productie 4), de suggestie wekt dat er in 2012 wel degelijk sprake was van dagopvang.
UHT heeft in haar aanvullende beschouwing aangegeven dat deze melding, in combinatie met de toelichting 'KOT lasten kinderen aanpassen conform KO1', betekent dat de lasten op nul zijn gezet wegens het ontbreken van contra-informatie in de kinderopvanginstelling-viewer of het Digitaal Archief Systeem (DAS). De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat deze meldingen invloed hebben gehad op de vaststelling van de voorschotten en acht het aannemelijk dat zij evenmin van invloed zijn geweest op de uiteindelijke toekenning van de KOT over het toeslagjaar 2012. Gezien het voorgaande zijn er geen aanwijzingen dat belanghebbende over de toeslagjaren 2011 en 2012 vooringenomen is behandeld.
Hardheid
Subsidiair stelt belanghebbende dat de hardheidsregeling van toepassing zou moeten zijn op de toeslagjaren 2011 en 2012. Volgens belanghebbende was sprake van bijzondere omstandigheden. Voor toeslagjaar 2011 voert belanghebbende specifiek aan slachtoffer te zijn geweest van fraude doordat de KOT is uitbetaald aan een derde (niet zijnde een toeslagpartner).
UHT stelt dat de KOT over toeslagjaar 2011 (en in 2012) niet aan een derde is uitbetaald, maar aan de ex-toeslagpartner van belanghebbende. Hiertoe verwijst UHT naar de L1C-overzichten (producties 58 en 59). De administratie werd destijds door hem gedaan en hij woonde in de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 op hetzelfde adres als belanghebbende. Van hardheid op grond van fraude is daarom geen sprake, aldus UHT. Daarnaast is de definitieve KOT over toeslagjaar 2012 op €0,- gezet, omdat uit de systemen van B/T niet is gebleken van geregistreerde kinderopvang. In de aanvullende beschouwing heeft UHT toegelicht dat er verschillende vraagbrieven naar belanghebbende zijn gestuurd met het verzoek om informatie. Volgens UHT heeft belanghebbende hier toen niet op gereageerd.
De Commissie overweegt dat de omstandigheden die door belanghebbende zijn aangevoerd, hoe ingrijpend en pijnlijk die voor belanghebbende ook zijn geweest, niet raken aan de bijzondere omstandigheden zoals wordt bedoeld in de Memorie van Toelichting (Tweede kamer, Vergaderjaar 2021-2022, 36151, nr. 3, p. 71.) bij artikel 2.1, lid 1, Wht. De Commissie ziet in dit verband geen reden om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de L1C-overzichten, waaruit volgt dat de KOT is overgemaakt aan de 'ouder/relatie in de 1e graad'. Daarbij komt dat uit productie 60 volgt dat belanghebbende en haar toenmalige partner ingeschreven stonden op hetzelfde adres, namelijk Werkhovenstraat 72 te Almere. Op grond van artikel 3.1, lid 2, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) betekent dit dat de toenmalige partner van belanghebbende in juridische zin was aan te merken als haar toeslagpartner, ook al woonde belanghebbende feitelijk mogelijk op dat moment op een ander adres. Ook de omstandigheid dat zoals belanghebbende stelt, dat zij zich niet op een ander adres kon inschrijven gezien haar verblijfsstatus, maakt deze constatering niet anders, hoezeer de Commissie de moeilijke situatie waarin belanghebbende in de jaren 2011 en 2012 verkeerde ook erkent. De Commissie is dan ook van oordeel dat UHT terecht tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van hardheid vanwege fraude door een derde.
Voor toeslagjaar 2012 overweegt de Commissie dat de KOT is teruggevorderd, omdat belanghebbende - na diverse uitvragen - geen aanvullende informatie had aangeleverd om het recht op KOT vast te stellen. Ook in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende naar het oordeel van de Commissie onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in 2012 wel geregistreerde opvang heeft afgenomen. Gelet hierop is geen sprake van bijzondere omstandigheden op basis waarvan hardheid kan worden aangenomen.
Opzet/grove schuld kwalificatie
Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen O/GS-tegemoetkoming is toegekend, omdat mogelijk een verzoek om een betalingsregeling is geweigerd.
De Commissie overweegt dat in productie 45 van het dossier is vermeld dat er in geen van de jaren sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. De Commissie heeft, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, geen reden om aan de juistheid van die opvatting te twijfelen. Niet aannemelijk is geworden dat B/T een verzoek om een betalingsregeling van belanghebbende heeft afgewezen. De Commissie adviseert dit bezwaar dan ook ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten van deze bezwaarprocedure. Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond zijn komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- de bezwaren tegen de beschikking van 5 mei 2022 met kenmerk UHT CHR MGU niet-ontvankelijk te verklaren;
- de bezwaren tegen de beschikkingen van 13 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-1 A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren;
- en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening] [handtekening]
Secretaris Fungerend voorzitter