Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-11974

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 31 augustus 2022 (UHT-DC I, UHT DC-I A)

Hoorzitting: 20 maart 2025

Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van
30 september 2022 is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DC I en UHT-NZ I. Als bijlage waren bij dat bezwaarschrift mede gevoegd de beschikkingen UHT DH5A en UHT DC-I A. In het aanvullend bezwaarschrift van 24 augustus 2023 worden uitsluitend de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I en UHT-DC I genoemd als besluiten waartegen het bezwaar zich richt. De Commissie zal haar advies daarom beperken tot deze laatste twee beschikkingen. De brief van
31 augustus 2022 met kenmerk UHT-NZ 1 betreft een informatieverschaffing over nazorg. Deze brief kwalificeert niet als een voor bezwaar vatbaar besluit.
De beschikking met kenmerk UHT DH5A komt inhoudelijk overeen met de beschikking met kenmerk UHT DC-I A.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.024 voor de jaren 2007 en 2009. Haar verzoek ook compensatie toe te kennen over de jaren 2006, 2008 en 2013 is afgewezen.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 februari 2021 verzocht om herbeoordeling van kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 12 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij nog niet in aanmerking komt voor betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de integrale herbeoordeling nog niet is afgerond.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 20 mei 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.888.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 mei 2022 aan UHT verstuurd. CvW heeft geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2006, 2008 en 2013 niet in aanmerking komt voor compensatie.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 31 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 31.024 en bij de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A beslist dat geen compensatie wordt toegekend over de jaren 2006, 2008 en 2013.
  • Gemachtigde heeft op 30 september 2022 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 24 augustus 2023 de bezwaren aangevuld. UHT heeft op 23 april 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaren.
  • Op 20 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 20 maart 2025 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op
    4 april 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich, gelet op de door belanghebbende aangevoerde bezwaren, gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zijn gemotiveerd. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikkingen zijn de bedragen in de compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had.
De gegevens zijn afkomstig van onder meer voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, SAS-overzichten en overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) en RKT-bestanden.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de schriftelijke reactie van UHT en de bijbehorende stukken, die op 3 juli 2024 aan gemachtigde zijn verzonden. De Commissie merkt tevens op dat UHT in de schriftelijke beschouwing van 23 april 2024 uitgebreid antwoord heeft gegeven op de resterende vragen van gemachtigde ten aanzien van de respectieve toeslagjaren, zoals deze zijn gesteld in de aanvulling op de bezwaren van
24 augustus 2023.

Concluderend is de Commissie van oordeel dat belanghebbende op basis van de in het dossier opgenomen stukken genoegzaam inzicht kon verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikkingen. De bestreden beschikkingen zijn daarom voldoende gemotiveerd. De Commissie acht de bezwaren op dit punt ongegrond.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 3 juli 2024 aan gemachtigde toegestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat in het aan belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Forfaitaire bedragen compensatieberekening en vergoeding voor werkelijke schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de het haar toegekende compensatiebedrag aanzienlijklager is dan de door haar geleden schade.
Met betrekking tot de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om binnen de onderhavige bezwaarprocedure af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarprocedure heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij dit standpunt inbrengen in de procedure inzake aanvullende schadevergoeding die zij blijkens haar aanvullend bezwaarschrift (p. 11) heeft lopen.

HOTHOR
Belanghebbende betoogt dat zij buiten haar medeweten opgenomen is geweest in het HOTHOR-systeem. Zij stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden.
De Commissie overweegt als volgt. Het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico – werd automatisch toegevoegd in situaties waarin sprake is van een relatief laag inkomen, waardoor recht bestond op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Toevoeging van dit kenmerk had tot gevolg dat bij toeslagaanvragen toekenningen een extra handmatige controle plaatsvond. De Commissie is met UHT van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken niet blijkt dat belanghebbende opgenomen is geweest in het HOTHOR-systeem. De bezwaren zijn op dit onderdeel ongegrond.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van 9 maanden definitief had moeten beslissen over de KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 en 2013, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat dit daarom verder onbesproken.

Niet gecompenseerde jaren
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat door UHT ten onrechte is geoordeeld dat geen recht op compensatie bestaat over de toeslagjaren 2006, 2008 en 2013. Zij stelt dat de toeslagjaren 2006 en 2008 niet los kunnen worden gezien van de toeslagjaren waarover wel vooringenomen handelen is vastgesteld. Belanghebbende heeft ter zitting voorts gesteld dat zij in het jaar 2013 een opleiding tot algemeen beveiligingsambtenaar volgde en daarom als doelgroeper kwalificeerde en dat zij daarom recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2013. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Belanghebbende is door de Commissie in de gelegenheid gesteld om informatie aan te leveren waaruit blijkt dat zij in 2013 inderdaad een opleiding volgde. Belanghebbende heeft vervolgens te kennen gegeven dat zij niet over dergelijke stukken beschikt. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij over het toeslagjaar 2013 als doelgroeper kwalificeerde.

De Commissie is verder van oordeel dat het recht op compensatie wordt vastgesteld over de toeslagjaren waarin sprake is geweest van vooringenomen handelen. De Commissie betreurt het als de gevolgen hiervan hebben doorgewerkt in andere toeslagjaren, maar onderschrijft het standpunt van UHT dat dit niet kan leiden tot het toekennen van compensatie over de toeslagjaren waarin deze gevolgen hebben doorgewerkt, nu naar belanghebbende ook niet heeft gesteld, B/T met betrekking tot de over die jaren toegekende KOT niet vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie adviseert om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Belanghebbende heeft zich in haar aanvullend bezwaarschrift op het standpunt gesteld dat de compensatie over de jaren 2007 en 2009 te laag is berekend. Ten aanzien van 2009 heeft zij dit standpunt op de zitting niet langer gehandhaafd nadat zij kennis had genomen van de zienswijze van UHT in de Beschouwing. Ten aanzien van 2007 voert belanghebbende aan dat bij de berekening van de compensatie is uitgegaan van de bedragen die belanghebbende destijds aan KOT zijn toegekend maar die bedragen waren volgens haar te laag.

De Commissie volgt belanghebbende niet in dit betoog. Op grond van de systematiek van de Wht wordt bij de berekening van compensatie in beginsel uitgegaan van de KOT die een ouder destijds is toegekend en die vervolgens ten onrechte geheel of gedeeltelijk is teruggevorderd. Over de hoogte van de een ouder toekomende compensatie als zodanig kan in het kader van de onderhavige procedure niet worden beslist.

Vergoeding voor juridische kosten
Belanghebbende stelt dat over de toeslagjaren waarover zij compensatie heeft ontvangen, ten onrechte geen vergoeding voor juridische kosten is toegekend.
De Commissie overweegt daarover als volgt. Ingevolge artikel 2.3 lid 6 Wht bestaat recht op een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, Wht die is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding. De Commissie is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken niet blijkt dat belanghebbende dergelijke kosten heeft gemaakt en adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Kosten voor rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikkingen naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikkingen, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.

[handtekening] [handtekening]

Secretaris Fungerend voorzitter