BAC 2022-11951
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 juli 2022 (UHT-DC I)
Hoorzitting: 9 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 11 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 27 juli 2022 met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 27 juli 2022 met kenmerk UHT-DC I.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904;) compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.853 voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 op grond van vooringenomenheid.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 november 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 tot en met 2014. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 beoordeeld.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 27 juli 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.853 voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 op grond van vooringenomenheid.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 augustus 2022, ingekomen op 15 augustus 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 18 november 2024 schriftelijk gereageerd.
- Op 9 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Belanghebbende heeft daar op
- 16 januari 2026 op gereageerd. Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Inzage onderliggend dossier
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 16 september 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaren 2010 tot en met 2013
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 op de juiste wijze heeft berekend.
Compensatieberekening
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 35.853 aan belanghebbende toegekend. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, zelf geconstateerd dat de berekeningen van de compensatie over die jaren in de bestreden beschikking onjuist zijn geweest voor wat betreft de toeslagrente over de gemiste KOT (component o). UHT heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen.
De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het compensatiebedrag voor immateriële schade te laag is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de vergoeding voor immateriële schade, opgenomen onder component n van de compensatieberekening, op grond van artikel 2.3, lid 4, van de Wht bestaat uit een forfaitair bedrag van € 500 per half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van de eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van de Wht en de dagtekening van de eerste compensatiebeschikking. Deze wettelijke, forfaitaire, systematiek laat op zich zelf geen ruimte voor afwijking. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op de website: https://schadeherstel.toeslagen.nl. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Boetebeschikkingen
Belanghebbende stelt dat zij in het verleden boetes en/of dwangsommen van
€ 950 en € 1.350 heeft moeten betalen aann B/T. Deze zijn niet meegenomen in de compensatieberekening.
UHT stelt dat zij, na onderzoek, in geen enkel systeem van B/T iets heeft aantroffen dat wijst op een boete of dwangsombeschikking. Aangezien het uit de stukken niet blijkt en ook niet op een andere manier aannemelijk is geworden dat belanghebbende boetes of dwangsommen heeft betaald, concludeert de Commissie dat UHT de door belanghebbende gestelde bedragen niet in de compensatieberekening hoefde mee te betrekken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt eveneens ongegrond te verklaren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag deels ontkennend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 27 juli 2022 met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de rentevergoeding over de gemiste KOT aan te passen conform de bijlage compensatieberekening bij de schriftelijke beschouwing van 18 november 2024;
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking te nemen vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en de bestreden beschikking in zo verre te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter