Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-11947

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 juni 2022 (UHT-O OGS B)

18 mei 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)

20 november 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 12 december 2024

Overdracht advies aan UHT: 13 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten met kenmerk UHT-O OGS B, UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DCHOA in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS), definitieve compensatie KOT, definitieve afwijzing compensatie KOT en definitieve afwijzing herbeoordeling KOT.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) een tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van €12.915 wegens een onterechte kwalificatie O/GS over de toeslagjaren 2014, 2015 en juni tot en met december 2018. Aan belanghebbende is compensatie toegekend van € 8.983 over de periode januari tot en met mei 2018 wegens vooringenomenheid. Aan belanghebbende is geen compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid toegekend over de toeslagjaren 2005 tot en met 2017 , over de maanden juni tot en met december 2018 en over 2019.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 31 maart 2020 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2015 tot en met 2018. In overleg met belanghebbende is het verzoek uitgebreid met het toeslagjaar 2014.
  • Bij beschikking van 23 juni 2021 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een voorlopig compensatiebedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 december 2021 aan UHT verstuurd. CvW heeft - kort samengevat - geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2014, 2015 en de maanden juni tot en met december 2018 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 27 januari 2022, met kenmerk UHT-VC I, aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend van € 8.577 over de maanden januari tot en met mei 2018.
  • Bij beschikking van 18 mei 2022, met kenmerk UHT-DC I, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een definitief compensatiebedrag van € 8.983 (aangevuld tot € 30.000) wegens vooringenomenheid over de maanden januari tot en met mei 2018.
  • Bij beschikking van 18 mei 2022, met kenmerk UHT-DC-I A, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid over de toeslagjaren 2014, 2015 en de maanden juni tot en met december 2018.
  • Bij beschikking van 18 mei 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie wegens hardheid van het stelsel over de toeslagjaren 2014, 2015 en de maanden juni tot en met december 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 7 juni 2022, met kenmerk UHT-O OGS B, aan belanghebbende een tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van
    € 12.915,-wegens een onterechte kwalificatie O/GS over de toeslagjaren 2014, 2015 en over de maanden juni tot en met december 2018. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, heeft geen nabetaling plaatsgevonden.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 juli 2022, ingekomen op 27 juli 2022, tegen de beschikking van 7 juni 2022, met kenmerk UHT-O OGS B, een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 25 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 mei 2024 tegen de beschikkingen van 18 mei 2022, met kenmerk UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, een bezwaarschrift ingediend.
  • Bij beschikking van 20 november 2024, met kenmerk UHT-DCHOA, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid over de toeslagjaren 2005 tot en met 2013, 2016, 2017 en 2019.
  • Gemachtigde heeft op 11 december 2024 de gronden van bezwaar aangevuld. Dit aanvullend bezwaarschrift richt zich ook tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 a en UHT-DCHOA.
  • Op 12 december 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
  • Gemachtigde heeft op 21 januari 2025 en 6 februari 2025 aanvullende stukken ingediend.
  • UHT heeft op 25 februari 2025 een aanvullende beschouwing ingediend.
    UHT heeft de bijbehorende producties op 26 mei 2025 aangeleverd. Gemachtigde heeft bij e-mail van 6 juni 2025 laten weten dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een nadere reactie.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft de bezwaren behandeld en het hiernavolgende advies opgesteld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De Commissie onderschrijft het door UHT ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat het bestreden besluit voldoende is onderbouwd door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties .

Uitbetaling van de O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende stelt dat de toegekende O/GS-tegemoetkoming haar ten onrechte niet feitelijk is uitbetaald. Belanghebbende voert aan dat de O/GS-tegemoetkoming volgens UHT niet is uitbetaald omdat deze tegemoetkoming, samen met het toegekende compensatiebedrag over periode januari tot en met mei 2018, niet hoger is dan € 30.000. Belanghebbende had eerder een bedrag van € 30.000 ontvangen op grond van de Catshuisregeling. Belanghebbende stelt dat zij dit standpunt van UHT, gelet op het bepaalde in artikel 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) niet kan volgen. Dit artikel van de Awir, inmiddels vervallen door de inwerkingtreding van de Wht, bepaalt dat een belanghebbende alleen geen O/GS-tegemoetkoming ontvangt als de belanghebbende over dezelfde periode recht heeft compensatie op grond van hardheid of vooringenomenheid en dat is hier niet het geval.

De Commissie volgt belanghebbende in haar standpunt niet. Omdat belang-hebbende gedupeerde is in de zin van de Wht heeft zij op grond van artikel 2.7 lid 1 van die wet recht op een forfaitaire vergoeding van € 30.000, waarop in mindering komen de bedragen, die haar op grond van een herstelmaatregel zijn toegekend. Zowel de toekenning van compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid als een O/GS-tegemoetkoming zijn herstelmaatregelen op grond van de wet. De ter zake aan belanghebbende toegekende bedragen van € 8.983 en
€ 12.195, samen € 21.178, mogen dus op voormeld bedrag in mindering worden gebracht en verdere uitbetaling heeft eerst plaats als de op grond van herstelmaatregelen toegekende bedragen meer bedragen dan genoemd forfaitair bedrag van € 30.000. daarvan is hier geen sprake. Om deze reden heeft terecht geen nabetaling plaatsgevonden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie over toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen compensatie is toegekend over toeslagjaar 2012. Belanghebbende heeft de KOT over toeslagjaar 2012 op
2 oktober 2012 per 5 september 2012 stopgezet. Zij stelt dat uit het feitenoverzicht van UHT van toeslagjaar 2012 volgt dat de KOT over toeslagjaar 2012 reeds is beëindigd per 5 augustus 2012. Belanghebbende heeft over toeslagjaar 2012 een maand KOT ten onrechte niet ontvangen. Daarom is volgens belanghebbende sprake van vooringenomenheid en heeft zij recht op compensatie over toeslagjaar 2012.

UHT licht toe dat belanghebbende op 13 november 2015 een definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2012 heeft ontvangen. Het recht op KOT is hierbij verlaagd van € 2.270 naar € 721. Deze neerwaartse bijstelling komt volgens UHT voort uit de wijziging die belanghebbende op 2 oktober 2012 heeft doorgegeven, waarbij de KOT per 5 september 2012 werd stopgezet. UHT stelt dat de periode waarover KOT is toegekend is gewijzigd naar aanleiding van informatie die op 6 augustus 2012 is doorgegeven door belanghebbende. Uit deze informatie volgt dat in de periode 6 augustus 2012 tot en met 5 september 2012 nul uren aan kinderopvang zijn afgenomen. UHT komt aldus tot de conclusie dat de KOT over toeslagjaar 2012 juist is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat uit de overgelegde stukken volgt dat belang-hebbende zelf heeft doorgegeven dat zij in de periode 6 augustus 2012 tot en met 5 september 2012 geen opvang heeft genoten en dat zij de KOT zelf per
6 september 2012 heeft stopgezet. Belanghebbende heeft in bezwaar niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode 6 augustus 2012 tot en met 5 september 2012 wel opvang heeft genoten. Naar het oordeel van de Commissie is de KOT over toeslagjaar 2012 daarom op de juiste wijze vastgesteld en is geen sprake van vooringenomenheid over dit toeslagjaar. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid rechtvaardigen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie over toeslagjaren 2014 en 2015
Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen compensatie is toegekend op basis van vooringenomenheid of hardheid over de toeslagjaren 2014 en 2015. Belanghebbende is het niet eens met het standpunt van UHT dat de toenmalige toeslagpartner van belanghebbende niet werkte en dat zij daarom niet tot de doelgroep van de KOT behoorde om welke reden de KOT achteraf op nihil is gesteld. Belanghebbende stelt meerdere keren bewijsstukken te hebben opgestuurd waaruit blijkt dat haar toeslagpartner kampte met een verstandelijke beperking, een Wajong-uitkering en een indicatie Wet Sociale Werkvoorziening had en in een reïntegratietraject zat. Daarnaast blijkt volgens belanghebbende uit de Basisregistratie personen dat belanghebbende van 10 januari 2014 tot 3 juni 2014 en van 11 december tot en met 31 december 2015 niet samenwoonde met de door UHT bedoelde toeslagpartner. Op basis van deze informatie is volgens belanghebbende voldoende duidelijk dat wel recht op KOT bestond over de toeslagjaren 2014 en 2015.

UHT stelt dat de KOT over toeslagjaar 2014 is stopgezet omdat belanghebbende onvolledige bewijsstukken had ingediend en daarmee niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij voldeed aan de vereisten voor de KOT.
De Belastingdienst/Toeslagen(hierna: B/T) heeft tweemaal schriftelijk informatie uitgevraagd. Daarnaast is op grond van de door belanghebbende ingediende aanmaningen en e-mailberichten volgens UHT onvoldoende aannemelijk geworden dat de toeslagpartner van belanghebbende een opleiding volgde. UHT licht toe dat belanghebbende in bezwaar is gegaan tegen de definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2014. Belanghebbende heeft de gronden van bezwaar niet aangevuld en het bezwaar is vervolgens ongegrond verklaard. Volgens UHT heeft belanghebbende destijds voldoende gelegenheid gehad om het recht op KOT over toeslagjaar 2014 aannemelijk te maken. UHT stelt voorts dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de toeslagpartner niet voor de kinderen kon zorgen.

Daarnaast stelt UHT dat ook sprake was van toeslagpartnerschap in de periodes dat de vader van de kinderen niet stond ingeschreven op hetzelfde adres als belanghebbende. Volgens UHT was al sprake van toeslagpartnerschap sinds
17 februari 2012.

Met betrekking tot toeslagjaar 2015 stelt UHT dat de KOT per 1 april 2016 op nihil is gesteld. UHT stelt dat inderdaad onvoldoende uitvraag is gedaan en dat dat vooringenomenheid kan opleveren. Volgens UHT is er echter sprake van evident geen recht op KOT omdat de toeslagpartner van belanghebbende niet voldeed aan de eisen voor de doelgroep van de KOT net als in het toeslagjaar 2014. Belanghebbende en haar partner zijn uiteindelijk gescheiden op 11 december 2015, maar deze scheiding is voor de KOT op grond van de Awir pas toepasselijk geworden voor de KOT op 1 januari 2016.

De Commissie is van oordeel dat in 2014 en 2015 sprake was van toeslagpartnerschap tussen belanghebbende en de vader van haar kinderen op grond van artikel 3 lid 2 sub a van de Awir. Op grond van de door belanghebbende aangeleverde stukken is onvoldoende aannemelijk geworden dat de toeslagpartner in die periode een opleiding volgde en dat belanghebbende dus behoorde tot de doelgroep van de KOT. Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat de toeslagpartner niet in staat zou zijn geweest om voor de kinderen te zorgen. De Commissie is derhalve van oordeel dat geen recht op compensatie bestaat over de toeslagjaren 2014 en 2015 omdat sprake was van evident geen recht op KOT over die toeslagjaren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie over toeslagjaar 2017
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet gecompenseerd is over toeslagjaar 2017. Uit het feitenoverzicht blijkt dat de aanvraag KOT over toeslagjaar 2017 is afgewezen nadat belanghebbende niet had gereageerd op het eerste verzoek om informatie. Hierna is geen tweede verzoek om informatie verzonden. Volgens belanghebbende levert dit vooringenomenheid op en heeft zij hierom recht op compensatie over toeslagjaar 2017.

UHT licht toe dat de aanvraag KOT over toeslagjaar 2017 inderdaad aanvankelijk is afgewezen, omdat belanghebbende niet tijdig heeft gereageerd. B/T heeft na ontvangst van de stukken van belanghebbende alsnog aan haar KOT toegekend binnen een termijn van zes weken. Over het toeslagjaar 2017 hebben vervolgens geen neerwaartse bijstellingen of terugvorderingen plaatsgevonden. UHT ziet geen aanleiding om compensatie toe te kennen omdat belanghebbende geen schade heeft geleden.

De Commissie overweegt dat de aanvraag KOT over toeslagjaar 2017 in eerste instantie is afgewezen door B/T, maar dat de KOT binnen een redelijke termijn van zes weken alsnog is toegekend. Hierna hebben geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De Commissie ziet geen aanleiding of omstandigheid die het toekennen van compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid rechtvaardigt en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte geen vergoeding voor juridische hulp heeft ontvangen, omdat zij met behulp van een advocaat heeft geprocedeerd tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Commissie merkt op dat belanghebbende bij haar bezwaarschrift een brief van 4 juni 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft gevoegd, waarin wordt gevraagd of belanghebbende reden ziet haar beroep in te trekken. Uit dit bericht wordt onvoldoende duidelijk over welk toeslagjaar wordt geprocedeerd en of de ABRvS uitspraak heeft gedaan in deze zaak. Belanghebbende heeft alleen compensatie ontvangen over de periode januari tot en met mei 2018 en kan alleen over deze periode aanspraak maken op een vergoeding voor juridische hulp. Nu niet vastgesteld kan worden dat sprake was van juridische hulp bij procedures die zijn gevoerd over de KOT over toeslagjaar 2018, adviseert de Commissie om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de einddatum van de vergoeding voor immateriële dient door te lopen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Belanghebbende heeft door de onderhavige bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve beslissing over compensatie en verwijst hiervoor naar een eerder advies van de Commissie.

De Commissie overweegt dat zij eerder heeft geadviseerd om de vergoeding voor immateriële schade door te laten lopen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar, in het geval dat sprake is van een (gedeeltelijk) gegrond bezwaar.
In de onderhavige procedure ziet de Commissie geen aanleiding om het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond te verklaren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ook ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding over gemiste KOT
UHT heeft ambtshalve de compensatieberekening uit de beschikking met kenmerk UHT-DC I over de periode januari tot en met mei 2018 gecontroleerd. Hieruit volgt volgens UHT dat de rentevergoeding over gemiste KOT niet juist maar in het voordeel van belanghebbende is berekend door het hanteren van een verkeerde start- en einddatum. UHT is voornemens de berekening van deze component in stand te laten. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert het besluit op dit punt in stand te laten.

Aanvullende vergoeding van 1%
Belanghebbende stelt dat de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw dient te worden berekend, nu de compensatieberekening gelet op het bovenstaande volgens haar onjuist is. Nu het bezwaar op de overige punten ongegrond wordt geacht, adviseert de Commissie om de berekening van de aanvullende vergoeding van 1% in stand te laten en het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de onderhavige bezwaarprocedure af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-O OGS B, UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter