BAC 2022-11934
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 december 2022 (UHT-DCH)
Overdracht advies aan UHT: 28 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.375 voor het jaar 2012 ( periode januari t/m juli) en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2011 en de periode augustus t/m december 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2009. Aangezien belanghebbende ook in andere jaren KOT heeft genoten, is de herbeoordeling door UHT uitgebreid. Er heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de jaren 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft belanghebbende op 26 mei 2021 een compensatie toegekend van €30.000 (Catshuisregeling).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009 tot en met 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft op 18 oktober 2021 bij vooraankondiging met kenmerk UHT-VCI aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.299.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2011 en de maanden augustus tot en met december 2012. Aan belanghebbende is compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.375 voor de maanden januari tot en met juli 2012. Dit bedrag is niet aan belanghebbende uitbetaald, omdat zij al het bedrag van € 30.000 had gekregen.
- UHT heeft op 24 februari 2023 aan belanghebbende met het besluit met kenmerk UHT-O OGS B een tegemoetkoming O/GS toegekend van € 2.437 voor het bedrag, dat over augustus t/m december 2012 is teruggevorderd Dit bedrag is niet aan belanghebbende uitbetaald, omdat de aanvulling Catshuisregeling, die belanghebbende had ontvangen, hoger is dan de toegekende tegemoetkoming.
- Belanghebbende heeft bij brief van 20 oktober 2022, ingekomen op 21 november 2022, tegen het besluit met kenmerk UHT-DCH d een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 7 januari 2025 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 oktober 2025, ingekomen op 15 oktober 2025, het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 27 november 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 3 december 2025 heeft gemachtigde het bezwaarschrift nogmaals schriftelijk aangevuld en de Commissie bericht dat belanghebbende heeft afgezien van de mogelijkheid om op haar bezwaarschrift te worden gehoord.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid heeft het bezwaar behandeld en het volgende advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwingen en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan en is voor de beoordeling van het bezwaar niet van belang De Commissie ziet daarom geen aanleiding de advisering in de onderhavige zaak aan te houden in afwachting van nadere gegevens waarop B/T zijn bevindingen heeft gebaseerd.
Werkelijke (immateriële) schade
In het bezwaarschrift heeft belanghebbende aangegeven dat het bestreden besluit onjuist is nu aan haar geen compensatie is toegekend die de door haar geleden schade dekt. Belanghebbende stelt dat haar een vergoeding in overeenstemming met haar werkelijke schade dient te worden toegekend. Daarnaast heeft belanghebbende de Commissie verzocht haar bezwaarschrift door te sturen aan de Commissie Werkelijke Schade.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van vaste (“forfaitaire”) vergoedingen. De Commissie heeft in de stellingen van belanghebbende geen aanleiding gevonden om te oordelen dat in dit geval het in de Wht neergelegde compensatiestelsel buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de werkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade en dat in alle fases van toekenning is voorzien in rechtsbescherming.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Tijdigheid van beslissingen
Belanghebbende stelt dat de termijn waarbinnen definitieve beschikkingen met betrekking tot niet door haar gespecificeerde toeslagjaren zijn afgegeven dermate lang zou zijn geweest dat hij op basis daarvan in aanmerking moet komen voor compensatie. Een (te) late definitieve vaststelling van de KOT maakt op zichzelf niet dat de handelwijze van B/T vooringenomen is of dat B/T het stelsel te hard heeft toegepast. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.
Met UHT stelt de Commissie vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Toeslagjaar 2009
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2009 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De wijzigingen vonden plaats op grond van informatie die door belanghebbende zelf aan B/T werd doorgegeven. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende heeft gesteld dat zij vooringenomen door B/T is behandeld doordat B/T de KOT voor het toeslagjaar 2010 neerwaarts heeft bijgesteld. Ook de omstandigheid dat het besluit tot verlaging van de KOT van belanghebbende buiten de termijn van artikel 19 AWIR is genomen, wijst er volgens belanghebbende op dat zij vooringenomen is behandeld.
De KOT van belanghebbende voor toeslagjaar 2010 is op 24 september 2011 verlaagd. Uit het bezwaardossier blijkt dat deze verlaging heeft plaatsgevonden vanwege een stijging van het toetsingsinkomen van belanghebbende, zoals dit bij B/T bekend was. De KOT is aldus door middel van een reguliere wijziging opnieuw berekend. De wijziging vond plaats op grond van informatie die door belanghebbende zelf aan B/T werd doorgegeven. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft ook ten aanzien van het toeslagjaar 2010 geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. Hetgeen door belanghebbende met betrekking tot de overschrijding van de termijn van artikel 19 Awir is gesteld behoeft hier, zoals reeds eerder aan de orde kwam, geen bespreking nu dit onderdeel van het bezwaar buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt.
Toeslagjaar 2011
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2011 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Het voorschot bedroeg in eerste instantie € 20.448 en is door reguliere wijzigingen een paar maal opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Daarom is van vooringenomen handelen geen sprake. Uiteindelijk werd de KOT voor het jaar 2011 definitief beschikt op € 19.48 en heeft belanghebbende € 83 moeten terugbetalen, hetgeen vermeerderd met een bedrag van € 7 aan kosten in december 2012 is verrekend. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2012
Vaststaat dat belanghebbende door B/T vooringenomen is behandeld doordat haar KOT op 12 oktober 2012 op nihil is gesteld, terwijl niet is gebleken dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. Op 26 juni 2012 was het voorschot KOT van belanghebbende voor het gehele jaar 2012 vastgesteld op € 21.187. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen in de periode 1 januari tot en met 17 juli 2012. Op grond van artikel 2.3 eerste lid Wht heeft UHT component a van de compensatieberekening terecht vastgesteld op € 12.360. Dit bedrag betreft de pro rata berekening van 7 maanden over het voorschotbedrag van € 21.187 voor het gehele jaar. De Commissie adviseert het bezwaar van belanghebbende op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 19 december 2022 met kenmerk UHT-DCH ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter