BAC 2022-11289
Publicatiedatum 18-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 november 2022 (UHT-DC-I-A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 4 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 1 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 17 november 2022 (UHT-DC-I-A en UHT-DH5 A), hierna de bestreden besluiten
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2013, 2020, 2021 en 2022. Deze beschikkingen worden hierna aangeduid als de bestreden besluiten.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 september 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2022. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit uitgebreid naar de jaren 2010, 2011, 2013, 2020, 2021 en 2022.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 oktober 2022 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2010, 2011, 2013, 2020, 2021 en 2022.
- UHT heeft bij de bestreden besluiten aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010, 2011, 2013, 2020, 2021 en 2022.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 22 december 2022 tegen deze besluiten bezwaarschriften ingediend.
- UHT heeft op 6 februari 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft bij e-mail van 27 februari 2026 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 13 april 2026 schriftelijk gereageerd op de aanvulling van het bezwaar.
- Op 4 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, ondanks de daarvoor gemaakte afspraak tijdens de hoorzitting, geen nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 19 mei 2026 een bankafschrift overgelegd van de ING-rekening van belanghebbende gedateerd op 10 november 2011.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
De toeslagjaren 2020, 2021 en 2022
Gelet op artikel 2.1 lid 1 Wht ziet de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend op de vraag of vóór 23 oktober 2019 vooringenomen handelen van de B/T dan wel hardheid van toepassing was. De bezwaren van belanghebbende ten aanzien van de toeslagjaren 2020, 2021 en 2022 kunnen niet tot het gewenste resultaat leiden nu de (her)beoordeling van deze toeslagjaren buiten de reikwijdte van de Wht valt.
De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op deze onderdelen ongegrond te verklaren.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende de bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden besluiten voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties zijn de bestreden besluiten voldoende onderbouwd. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie/beschouwing van UHT met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Verrekeningen en beslagvrije voet
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat B/T ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet.
De Commissie overweegt dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot 1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb in combinatie met artikel 475c onderdeel j Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Vanaf 1 januari 2021 worden in de wettelijke regeling de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c lid 1, aanhef en onder j, Rv), met uitzondering van de KOT. De KOT is namelijk niet bedoeld als inkomensvoorziening maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie, dit in tegenstelling tot andere toeslagen. De beslagvrije voet is dus geen belemmering voor het verrekenen van terugvorderingen KOT.
De Commissie is daarnaast van opvatting dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid rechtvaardigt. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: “Bij gedupeerden door een onterechte O/GS kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen” (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Voor de bezwaargrond dat B/T bij de terugvorderingen en verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, bestaat dus geen grond. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2010, 2011 en 2013
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege in geval van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT, bijvoorbeeld omdat de kinderen geen geregistreerde opvang hebben genoten.
Na bestudering van de stukken in het dossier, waaronder het ouderverhaal van belanghebbende, concludeert de Commissie dat belanghebbende in de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende had in die toeslagjaren geen recht op KOT.
De Commissie ziet op basis van de stukken van dit dossier en de daarop gegeven toelichtingen geen grond voor het oordeel dat sprake is van hardheid van stelsel in de zin van artikel 2.1 Wht. Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende niet in zodanige, uitzonderlijke omstandigheden verkeerd, leidend tot toepassing van dit artikel. Belanghebbende komt voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, zowel op zichzelf als in onderling verband bezien, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om het daarop betrekking hebbende verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter