BAC 2022-11273
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 november 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) en 15 februari 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 27 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 16 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren gericht tegen de besluiten van 14 november 2022 met kenmerk UHT-DC I en 15 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen de besluiten van 14 november 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen besluiten.
- De beschikking van 14 november 2022 met kenmerk UHT-DC I, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 30.000, voor de periode januari tot en met maart 2013 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De beschikking van 14 november 2022 met kenmerk UHT-DC-I A, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor het jaar 2012, de periode april tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat B/T in de jaren 2012, 2015 en 2016 geen fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de KOT. Over de periode april tot en met december 2013 en het jaar 2014 wordt geen compensatie toegekend, nu belanghebbende geen recht had op KOT.
- De beschikking van 14 november 2022 met kenmerk UHT-DH5 A, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor het jaar 2012, de periode april tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat B/T niet te streng is geweest bij het toepassen van de regels voor de KOT.
- De beschikking van 15 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende in aanmerking komt voor een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming voor de jaren 2012 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 oktober 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. Het verzoek ziet op de jaren 2012 tot en met 2016.
- Bij beschikking van 23 februari 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Op 20 april 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2012, 2015 en 2016 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie. Ditzelfde geldt voor de maanden april tot en met december 2013 en het jaar 2014, nu belanghebbende in deze perioden geen recht had op KOT.
- UHT heeft bij beschikkingen van 14 november 2022 aan belanghebbende een compensatie van € 30.000 voor de periode januari tot en met maart 2013 toegekend. Voor het jaar 2012, de periode april tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
- Op 20 december 2022 heeft gemachtigde namens belanghebbende drie bezwaarschriften ingediend.
- UHT heeft bij beschikking van 15 februari 2023 aan belanghebbende een O/GS tegemoetkoming voor de jaren 2012 en 2014 toegekend.
- Op 28 januari 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 27 mei 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 20 juni 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende beschouwing ingediend. Op 2 juli 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie voor het jaar 2012, de periode april tot en met december 2013 en de jaren 2014 tot en met 2016 krijgt toegekend. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de periode januari tot en met maart 2013. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor bovenstaande periode op een hogere rente-vergoeding wordt uitgekomen.
Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar.
Ten aanzien van de aanvangsdatum stelt UHT zich op het standpunt dat de gehanteerde datum van 13 november 2015 juist is. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikkingen.
De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties,
de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, de compensatie-berekening en de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden zou zijn.
Afgewezen toeslagjaren
Uit het bezwaardossier volgt dat de KOT in de jaren 2012, 2015 en 2016 is bijgesteld naar aanleiding van de door belanghebbende aangeleverde informatie. In deze jaren hebben er correcties plaatsgevonden ofwel op basis van wijzigingen in het aantal opvanguren, het gezamenlijke toetsingsinkomen of op basis van een door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT. De verplichting tot het terugbetalen van de KOT is in deze jaren daarom het gevolg van reguliere correcties. Deze kunnen niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen.
De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag uitkomt.
Voorts volgt uit het bezwaardossier dat in de periode april tot en met december 2013 en het jaar 2014 geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.
Tevens volgt uit het dossier dat belanghebbende in het jaar 2014 geen werkzaamheden verrichtte. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht, komt een ouder in aanmerking voor compensatie wanneer aannemelijk is dat bij de vaststelling van de KOT er sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de periode april tot en met december 2013 en het jaar 2014, nu er in deze perioden geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden en belang-hebbende in toeslagjaar 2014 geen werkzaamheden verrichtte, een studie volgde of deelnam aan een re-integratie- of participatietraject. UHT heeft ter onder-bouwing in haar nadere schriftelijke reactie de KOI-viewer gegevens voor toeslagjaar 2013 en de fiscale loongegevens ten aanzien van toeslagjaar 2014 overgelegd.
Belanghebbende heeft in het kader van deze bezwaarprocedure verklaard dat in het gehele toeslagjaar 2013 sprake is geweest van geregistreerde kinderopvang en zij vanaf de maand juni 2014 werkzaamheden verrichtte. Belanghebbende heeft dit echter niet met objectief verifieerbare stukken onderbouwd. De Commissie is met UHT van oordeel dat belanghebbende hierdoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat in deze toeslagjaren inderdaad sprake was van geregistreerde kinderopvang dan wel dat belanghebbende werkzaam was. Hierdoor werd niet voldaan aan de voorwaarden voor aanspraak op KOT en blijft toekenning van compensatie achterwege.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de periode april tot en met december 2013 wel in aanmerking voor een O/GS tegemoetkoming, aldus UHT in haar schriftelijke reactie.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft bij gebrek aan wetenschap gesteld dat B/T in het verleden geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden. De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid.
De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen
in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten met de kenmerken UHT-DC I en UHT-O OGS B naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren gericht tegen de besluiten van 14 november 2022 met kenmerk UHT-DC I en 15 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen de besluiten van 14 november 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter