Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-11165

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 19 september 2022 (UHT-DC-I)

19 september 2022 (UHT-DC-I A)

20 september 2022 (UHT-DH5 A)

21 september 2022 (UHT-DH A)

Hoorzitting: 11 juli 2025 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 25 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren tegen de bestreden beschikkingen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A te herroepen, alsnog compensatie toe te kennen voor het jaar 2016 op grond van vooringenomenheid en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de voormalig gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen:

  • de definitieve beschikking compensatie kinderopvang d.d. 19 september 2022 (UHT-DC-I)
  • de definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvang d.d.
    19 september 2022 (UHT-DC-I A)
  • de beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag d.d. 20 september 2022 (UHT-DH5 A)
  • de beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag d.d. 21 september 2022 (UHT-DH A).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) over het jaar 2019 een compensatiebedrag van € 1.355,-toegekend en geen compensatie toegekend over de jaren 2014 tot en met 2018.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2020.
    De herbeoordeling heeft zich uitgestrekt over de jaren 2014 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 5 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir (zoals deze destijds golden; Commissie) niet van toepassing zijn voor de jaren 2014 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 15 augustus 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.352,- voor het jaar 2019. Tevens is daarbij aan belanghebbende medegedeeld dat het compensatiebedrag niet tot uitbetaling komt, omdat aan belanghebbende en haar toeslagpartner reeds € 30.000,- is betaald op grond van de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij beschikking van 19 september 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 1.355,- voor het jaar 2019. Bij beschikkingen van 19 september 2022 (UHT-DC-I-A) en 20 september 2022 (UHT-DH5 A en UHT-DH A) heeft UHT geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 tot en met 2018.
  • De voormalig gemachtigde heeft bij brief van 18 oktober 2022 tegen deze vier beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft zich gesteld als gemachtigde van belanghebbende.
  • UHT heeft op 18 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 11 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende voert aan dat zij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 18 april 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren

Beoordeling afwijzing compensatie 2015 (UHT-DC-I-A en UHT-DH5 A)
De Commissie ziet zich, uitgaande van de bezwaren en de inhoud van de bestreden beschikkingen, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT compensatie met betrekking tot het jaar 2015 heeft mogen weigeren.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in het jaar 2015 ten onrechte is uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 41.159,-. UHT stelt dat sprake is van een kennelijke verschrijving in de compensatiebeschikking over toeslagjaar 2015. De Commissie volgt het standpunt van belanghebbende niet. Uit het SAS-overzicht over het jaar 2015 (productie 28 bezwaardossier) blijkt dat de KOT in de periode 1 januari tot en met 30 april 2015 is gebaseerd op een inkomen van € 13.000,-, waarin belanghebbende geen toeslagpartner had. Voor de periode van 1 mei tot en met 31 december 2015 is de toeslag berekend op basis van een gezamenlijk toetsingsinkomen van belanghebbende en haar partner van
€ 28.159,-. De neerwaartse bijstelling van de KOT op 21 mei 2015 is het gevolg van een reguliere correctie wegens een stijging van het toetsingsinkomen, die voortvloeide uit het feit dat belanghebbende per 1 mei 2015 een toeslagpartner had. Dit betreft een reguliere correctie. Het is niet aannemelijk geworden dat deze neerwaartse bijstelling het gevolg is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De kennelijke verschrijving in de compensatiebeschikking over toeslagjaar 2015 leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid. Evenmin is naar de opvatting van de Commissie sprake van bijzondere hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatie toeslagjaren 2016 en 2019
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing van 18 april 2025 uiteengezet dat en waarom in het jaar 2016 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. UHT heeft daarbij toegezegd dat aan belanghebbende over dit jaar alsnog een compensatie zal worden verstrekt. Daarbij is opgemerkt dat de gegrondbevinding van het bezwaar meebrengt dat de onderdelen vergoeding immateriële schade (doorberekenen tot de einddatum van de beslissing op bezwaar) en de zogenoemde 1% vergoeding zullen worden aangepast. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar in lijn met deze toezeggingen gegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen van 19 september 2022 en 20 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A te herroepen.

In de schriftelijke beschouwing heeft UHT daarnaast uiteengezet dat aan belanghebbende ten onrechte compensatie is verstrekt over het jaar 2019, omdat volgens UHT in dat jaar geen sprake zou zijn geweest van vooringenomenheid, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. UHT heeft toegezegd de compensatie voor het jaar 2019 niet ten nadele van belanghebbende op het compensatiebedrag in mindering te zullen brengen. De Commissie ziet dan ook geen aanleiding te adviseren over de vraag of sprake is geweest van vooringenomenheid, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie in dit jaar en adviseert UHT de op dit punt gedane toezegging gestand te doen bij de beslissing op bezwaar.

Betaling Catshuisregeling
Belanghebbende stelt dat de aan haar verstrekte compensatie ten onrechte is verrekend met de betaling van € 30.000,- aan haar toeslagpartner. De Commissie overweegt als volgt. De bezwaargrond van belanghebbende ziet mede op de in de definitieve beschikking compensatie kinderopvang van 19 september 2022, kenmerk UHT-DC-I, opgenomen beslissing op grond van artikel 2.7 Wht om het compensatiebedrag niet uit te betalen. Uit artikel 3, tweede lid, onder a van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen blijkt dat de Commissie tot taak heeft het adviseren van UHT over de bezwaren tegen beschikkingen die gegeven zijn op grond van de artikelen 2.1, 2.4 tot en met 2.6 en 2.9 lid 1 Wht. Uit de Toelichting op de wijziging van de Instellingsregeling van 13 oktober 2023 volgt dat uitdrukkelijk is beoogd dat de Commissie geen taak meer heeft te adviseren over bezwaren op grond van artikel 2.7 Wht. De Commissie heeft partijen hiervan op 17 juli 2025 op de hoogte gesteld. De Commissie neemt aan dat UHT het bezwaar van belanghebbende ter zake van de verrekening verder behandelt op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Aangezien de bestreden beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A niet in stand kunnen blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikkingen UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en verschijnen ter zitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

De Commissie heeft geen taak bij het adviseren omtrent besluiten op grond van artikel 2.7 van de Wht en adviseert het bezwaar gericht tegen dit besluit te behandelen op grond van de Awb.

Samengevat adviseert de Commissie voorts om:

  • het bezwaar tegen de bestreden beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A gedeeltelijk gegrond te verklaren, en de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van beslissing op bezwaar en de bestreden besluiten in zo verre te herroepen;
  • conform de toezegging van UHT op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor het jaar 2016 en de daarop betrekking hebbende beschikkingen in zoverre eveneens te herroepen;
  • de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter