Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-11156

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 november 2022 (UHT-DC-I, UHT-DH A en UHT-DC-I A)

Hoorzitting: 5 maart 2025

Overdracht advies aan UHT: 19 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en om de toeslagjaren 2016 en 2019 te herbeoordelen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.844,- voor de maanden januari tot en met april 2017 en geen compensatie toegekend voor de maanden mei tot en met december 2017.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 en 2017. UHT heeft in overleg met belanghebbende besloten om alleen toeslagjaar 2017 te herbeoordelen.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
  • geadviseerd dat gedurende de maanden mei tot en met december 2017 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor de maanden januari tot en met april 2017 is de compensatieregeling wel van toepassing.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 9 november 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie van € 13.844,- toegekend voor de periode januari tot en met april 2017.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 8 december 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 12 december 2022 met kenmerk UHT-DC I A aan belanghebbende geen compensatie wegens vooringenomenheid toegekend voor de periode mei tot en met december 2017.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 12 december 2022 met kenmerk UHT-DH A voor de periode mei tot en met december 2017 geen compensatie toegekend op basis van de hardheidsregeling.
  • Belanghebbende heeft op 12 en 15 mei 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 19 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Op 5 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Het inzagerecht van belanghebbende en de op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft verzocht om haar dossier te krijgen om haar gronden nader aan te vullen.

De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure een uitgebreid bezwaardossier en een beschouwing met belanghebbende en de Commissie gedeeld. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende daarmee kan beschikken over de op haar zaak betrekking hebbende stukken.

Compensatieberekening over januari tot en met april 2017
UHT heeft te kennen gegeven dat bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade van onjuiste data is uitgegaan. Er is voor de begindatum uitgegaan van 31 mei 2017 in plaats van 21 juni 2017. De datum van 31 mei 2017 is de datum van de melding van de harde stop voorafgaand aan de nihilbeschikking van 21 juni 2017 (productie 24). Als einddatum is 11 november 2022 gehanteerd, terwijl dit 9 november 2022 had moeten zijn (productie 7). De Commissie volgt UHT niet in het nadere standpunt dat de begindatum op 21 juni 2017 ligt. Op 31 mei 2017 heeft immers de eerste vooringenomen handeling plaats gevonden. Dat heeft echter nu geen gevolgen, omdat in het bestreden besluit juist van deze datum van 31 mei 2017 is uitgegaan.

UHT heeft verder gesteld dat ook de rente over gemiste kinderopvangtoeslag onjuist is berekend, omdat is uitgegaan van de datum 10 november 2022 in plaats van 9 november 2022. Echter, in het voordeel van belanghebbende zal het bedrag onder component o (rente over gemiste kinderopvangtoeslag) niet worden aangepast. De Commissie stemt hiermee in.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van belanghebbende te kennen gegeven de compensatieberekening te volgen en geen bezwaren daartegen te hebben.

Beoordeling afwijzing in de periode mei tot en met december 2017
UHT concludeert over de afgewezen periode van mei tot en met december 2017 dat geen sprake is van vooringenomen handelen of van toepasselijkheid van de hardheidsregeling.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op de hoorzitting gezegd geen bezwaren meer te hebben tegen de besluitvorming over deze periode in 2017.

Verrekeningen met andere toeslagen
Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting gesteld dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag werd verrekend met te ontvangen zorgtoeslag en kindgebonden budget.

UHT stelt zich op het standpunt dat de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 30 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) bevoegd is om vorderingen met andere toeslagen te verrekenen. Daarom kan volgens UHT niet gesteld worden dat de Belastingdienst/Toeslagen belanghebbende hierin vooringenomen heeft behandeld.

De beoordeling door de Commissie is nu beperkt tot het jaar 2017. De Commissie overweegt over de verrekeningen met betrekking tot dat jaar het volgende.
Over de periode januari tot en met april 2017 heeft belanghebbende compensatie ontvangen. Als een belanghebbende al een compensatie heeft ontvangen, geldt het volgende. In de berekening van het compensatiebedrag is het bedrag aan verrekeningen al begrepen. De verrekeningen op zichzelf houden daarom geen aparte schadepost in. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van deze verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.
Daarover hieronder meer. Over de periode mei tot en met december 2017 heeft belanghebbende geen compensatie ontvangen omdat in die periode sprake is geweest van evident geen recht vanwege het feit dat toen geen opvang is afgenomen. Een verrekening van een terugvordering over een dergelijke periode levert ook geen grond op voor compensatie. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet hersteloperatie toeslagen en de systematiek van de compensatieregeling kan namelijk niet worden afgeleid dat de wetgever zulke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet uitdrukkelijk door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid.
De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.

Werkelijk geleden schade
Belanghebbende betoogt dat zij meer materiële schade heeft geleden door de terugvorderingen van de Belastingdienst/Toeslagen dan nu is vergoed.

UHT stelt zich op het standpunt dat de vergoedingsbedragen overeenkomstig het wettelijk kader van de Wht zijn berekend. Als volgens belanghebbende de geleden schade niet wordt gedekt, kan een verzoek voor aanvullende schadevergoeding worden ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure niet toeziet op de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de CWS bestemd. Belanghebbende heeft op de hoorzitting al kenbaar gemaakt dat een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade zal worden ingediend bij CWS.

Beoordeelde en te beoordelen jaren
Belanghebbende stelt dat zij ook buiten de beoordeelde periode stelselmatig vooringenomen is behandeld door de Belastingdienst/Toeslagen. Daarnaast zijn ook vaker door haar te ontvangen toeslagen, zoals zorgtoeslag en kindgebonden budget, verrekend met vermeende schulden in het kader van de kinderopvang-toeslag. Door de hoge terugvorderingen en verrekeningen heeft belanghebbende haar zorgverzekering niet meer kunnen voldoen. Belanghebbende wenst daarom dat UHT de integrale beoordeling uitbreidt met de toeslagjaren 2016 en 2019.

De gemachtigde van UHT heeft op de hoorzitting toegezegd dat alsnog de toeslagjaren 2016 en 2019 herbeoordeeld worden en dat hij de beoordeling van deze jaren zal neerleggen bij de persoonlijke zaaksbehandelaar. De Commissie heeft goede nota genomen van deze tijdens de hoorzitting gedane toezegging.

Als deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan heeft zij de mogelijkheid om tegen dat besluit een bezwaarschrift in te dienen.

Alles bijeen genomen
Alles bijeen genomen komt de Commissie tot het advies om het bezwaar met betrekking tot het toeslagjaar 2017 ongegrond te verklaren en voor de jaren 2016 en 2019 alsnog over te gaan tot een herbeoordeling.

Proceskostenvergoeding
Omdat het bezwaar met betrekking tot het toeslagjaar 2017 naar opvatting van de Commissie ongegrond is, ziet de Commissie geen aanleiding voor herroeping van het bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, daarom geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

De Commissie adviseert om het bezwaar met betrekking tot het toeslagjaar 2017 ongegrond te verklaren en om de toeslagjaren 2016 en 2019 te herbeoordelen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter