BAC 2022-11060
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 september 2022 (UHT-DC-I A)
Hoorzitting: 7 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 18 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 26 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2018.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2018. De herbeoordeling is in overleg met belanghebbende beperkt tot de jaren 2015 tot en met 2018.
- UHT heeft bij brief van 30 april 2021 (UHT-B DMB2) aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren evident geen recht is op compensatie.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 26 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2018.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 oktober 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 december 2023 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 17 september 2025 heeft gemachtigde aanvullende bezwaargronden ingediend.
- Op 5 oktober 2025 heeft gemachtigde per e-mail aanvullende gronden ingediend.
- Op 7 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 november 2025 een e-mail gestuurd en daarbij aangegeven dat uit navraag bij de kinderopvanginstelling is gebleken dat belanghebbende en haar kinderen niet bekend zijn bij de kinderopvanginstelling. Gemachtigde heeft daar op 5 november 2025 op gereageerd en een aanvullende vraag ingediend. UHT heeft op 11 november 2025 antwoord gegeven en handhaaft het eerder genomen standpunt.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motivering
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Ten aanzien van de motivering van het besluit overweegt de Commissie dat UHT de bestreden beslissing inderdaad niet uitvoerig heeft toegelicht, maar dat dit niet impliceert dat er van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, beschikkingen en overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd.
Geen compensatie 2015 tot en met 2018
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de periode 2015 tot en met 2018, nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk kunnen maken (bijvoorbeeld door middel van bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld correspondentie en/of bankafschriften). De na de hoorzitting gevolgde mailwisseling geeft evenmin een betrouwbare aanwijzing in die richting. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.
Belanghebbende komt voor de periode 2015 tot en met 2018 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Persoonlijke dossier
Gemachtigde stelt dat het volledige persoonlijke dossier van belanghebbende nog altijd niet is toegezonden. Daarnaast ontbreekt de nadere onderbouwing voor de constatering dat belanghebbende op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV) was opgenomen en dat er geen aanwijzingen zijn voor discriminatie. Dit geldt eveneens voor de conclusie dat er geen sprake is van een opzet/grove schuld (hierna: O/GS)-kwalificatie.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing vergezeld is gegaan van stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Deze, op de zaak betrekking hebbende, stukken zijn aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde ‘persoonlijke dossier’ evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van het O/GS en het FSV-onderzoek, niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikkingen
Gemachtigde stelt dat er sprake is van vooringenomen handelen omdat de definitieve KOT-beschikkingen, als ze al genomen zijn, steeds buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen; belanghebbende heeft gelet daarop, recht op compensatie.
De Commissie ziet in die omstandigheid op zichzelf bezien onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheid kan, gelet op het hier toepasselijke regelgevende kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Omliggende jaren
Belanghebbende stelt dat zij ook voor de omliggende jaren recht op compensatie heeft omdat zij in deze jaren de gevolgen heeft gevoeld van de vooringenomenheid door de terugvorderingen/verrekeningen zoals uitgevoerd door de B/T.
De Commissie is van mening dat de enkele verrekening van op zichzelf terechte terugvorderingen in beginsel geen hardheid als bedoeld in de Wht oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan namelijk niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad.
Voor zover belanghebbende stelt dat zij als gevolg van onterechte stopzettingen of terugvorderingen aanvullende schade heeft geleden, kan zij een aanvulling om vergoeding van deze schade vragen. Uit de toelichting van gemachtigde volgt dat zij met die werkwijze bekend is en reeds een dergelijke procedure aanhangig heeft gemaakt.
Overige bezwaren
Nu er geen grond is om compensatie of tegemoetkoming aan belanghebbende toe te kennen, is de Commissie van oordeel dat de overige onderdelen van het bezwaar, ten aanzien van de immateriële schade, forfaitaire vergoedingen en vergoeding van juridische hulp, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter