BAC 2022-11033
Publicatiedatum 08-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 november 2022 (UHT DHR, UHT-DC-I, UHT DC-I-A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 7 november 2024
Overdracht advies aan UHT: 16 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 2 november 2022 met kenmerk UHT-DHR met betrekking tot het toeslagjaar 2012 gegrond te verklaren, de beschikking te herroepen, opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies en ter zake van deze procedure een proceskostenvergoeding tot te kennen. Tevens adviseert de Commissie het bezwaar met betrekking tot de besluiten met kenmerk UHT-DC-I, UHT DC-I-A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 48.037 voor de jaren 2012, 2013 en de maanden januari en februari 2014 en medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de jaren 2010 en 2011 en de maanden maart tot en met december 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 december 2020 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015. In overleg met belanghebbende is de periode gewijzigd in de jaren 2010 tot en met 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 2 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor betaling van € 30.000 (Catshuisregeling).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juni 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot de jaren 2010 en 2011 en de maanden maart tot en met december 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met kenmerk UHT DHR en UHT DC-I, belanghebbende een compensatie toegekend van € 48.037 over de jaren 2012, 2013 en de maanden januari en februari 2014.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met kenmerk UHT DC-I-A en DH5 A, aan belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 en 2011 en de maanden maart tot en met december 2014
- Gemachtigde heeft op 9 december 2022 tegen alle genoemde beschikkingen bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft het bezwaarschrift op 23 augustus 2023 aangevuld.
- UHT heeft op 10 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 7 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op
7 november 2024 de standpunten die zij op de hoorzitting heeft verwoord schriftelijk aan de Commissie bevestigd. - UHT heeft op 13 februari 2025, eveneens op verzoek van de Commissie, een aanvullende schriftelijke beschouwing aan de Commissie toegestuurd.
Op 12 juni 2025 ontving de Commissie de bij deze aanvullende schriftelijke beschouwing behorende stukken. - Gemachtigde heeft op 26 juni 2025 op de aanvullende schriftelijke beschouwing gereageerd.
- Vervolgens zond UHT de Commissie op 16 juli 2025 een tweede schriftelijke beschouwing, die zij op 1 september 2025 nog heeft aangevuld.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het bezwaar behandeld en het volgende advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2012, 2013 en de maanden januari en februari 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 en 2011 en de maanden maart tot en met december 2014 af te wijzen.
Algemene bezwaren
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwingen en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie overweegt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor haar stelling dat het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - mogelijk nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Werkelijke (im)materiële schade
In het bezwaarschrift heeft belanghebbende gesteld dat het bestreden besluit onjuist is nu de aan haar toegekende compensatie de door haar geleden werkelijke schade niet dekt.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen.
HOTHOR
Belanghebbende heeft gesteld dat zij in het HOTHOR-systeem was opgenomen en dat dit met zich meebrengt dat zij is gediscrimineerd HOTHOR is een kenmerk dat, naar de Commissie uit de nadere toelichting van UHT begrijpt, automatisch aan een belanghebbende wordt gegeven in gevallen van een laag inkomen en een mede als gevolg daarvan relatief hoog bedrag aan toeslagen. De aanwezigheid van dit kenmerk heeft, aldus deze toelichting, tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. UHT stelt dat het doel van deze extra controles is gelegen in het behoeden van ouders voor hoge terugvorderingen. Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of er institutionele vooringenomenheid is geweest, maar leidt op zichzelf niet dwingend tot een bevestigend antwoord op die vraag. Aanwijzingen voor zo’n bevestigend antwoord zijn, als ook rekening wordt gehouden met de andere feiten en omstandigheden van dit geval, onvoldoende aannemelijk geworden.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Tijdigheid van beslissingen
Belanghebbende stelt dat de termijnen waarbinnen de definitieve beschikkingen met betrekking tot de KOT 2010 en 2011 zijn gegeven, dermate lang waren dat zij reeds op basis daarvan in aanmerking moet komen voor compensatie.
Een (te) late definitieve vaststelling van de KOT maakt op zichzelf niet dat de handelwijze van B/T vooringenomen is of dat B/T het stelsel te hard heeft toegepast. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hoogte van de KOT
Belanghebbende verzoekt om aanpassing van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2010, zoals deze indertijd definitief is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verrekenen van toeslagen
Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor compensatie van de schade die zij heeft geleden door de verrekeningen van de terugvordering over jaar 2014 met nadien toegekende toeslagen (waaronder KOT).
De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over het jaar 2014 aan de KOT is gegeven. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen recht op compensatie op grond van hardheid op.
FSV
Belanghebbende stelt dat zij destijds ten onrechte was opgenomen op de FSV lijst en dat vooringenomen handelen door B/T impliceert. UHT heeft de stelling van belanghebbende betwist en daartoe een schermafdruk overgelegd waaruit dat blijkt.
De Commissie overweegt als volgt. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers van de Belastingdienst met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. Nu UHT belanghebbende een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie heeft verstrekt, acht de Commissie het standpunt van UHT dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst voldoende onderbouwd. Zij adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS
Belangstellende heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een O/GS tegemoetkoming.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding voor juridische hulp die zij zou hebben genoten in de toeslagjaren die door UHT opnieuw zijn beoordeeld.
Het standpunt van belanghebbende houdt in dat kosten gemaakt voor rechtsbijstand in de jaren die deel uitmaken van de herbeoordeling onder component m van de compensatieberekening dienen te worden opgenomen en tot een hogere compensatie behoren te leiden. UHT heeft gesteld dat niet is gebleken dat belanghebbende met betrekking tot de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde juridische hulp. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij die juridische bijstand wel heeft genoten. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
De toeslagjaren
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag van de berekening van de compensatie onjuist is.
UHT heeft erkend dat de compensatieberekening onjuist is berekend en gesteld dat component a van de compensatieberekening voor het jaar 2012 op € 5.031,30 dient te worden vastgesteld in plaats van € 3.727.
De Commissie neemt met instemming kennis van de stelling van UHT dat zij de compensatieberekening aan zal passen waarbij component a op € 5.031,30 wordt gesteld. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatie opnieuw te berekenen en daarbij alle volgens de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.
Toeslagjaar 2013
Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 compensatie toegekend omdat zij met betrekking tot dit jaar vooringenomen is behandeld. Een aan haar toegekend voorschot KOT werd op nihil gesteld zonder dat belanghebbende in de gelegenheid was gesteld te reageren op een verzoek om informatie en op het voornemen van B/T om de KOT op nihil te stellen. Belanghebbende heeft erop gewezen dat zij niet kan controleren of de aan haar toegekende compensatie gebaseerd is op het juiste aantal uren kinderopvang en meent dat de aan haar toegekende compensatie te laag is vastgesteld.
Uit het bezwaardossier blijkt dat de KOT van belanghebbende op 28 december 2012 automatisch werd gecontinueerd voor 2013. Vervolgens werd de KOT op
31 december 2012 op nihil gesteld, zonder dat belanghebbende in de gelegenheid werd gesteld haar recht op KOT aan te tonen en op het voornemen om de KOT op nihil te stellen te reageren. Het duurde tot 7 januari 2014 voordat belanghebbende -met terugwerkende kracht- KOT aanvroeg met ingang van 8 januari 2013. Uit het bezwaardossier volgt dat B/T omtrent deze aanvraag navraag deed bij de KOI. Een schriftelijke bevestiging van die uitvraag of de uitkomst daarvan ontbreekt. Belanghebbende stelt dat zij in 2013 een kind had dat kinderopvang genoot en dat zij die kinderopvang zelf heeft betaald. Uit de uitdraai van de KOI-viewer met betrekking tot het jaar 2013 blijkt niet dat belanghebbende kinderopvang heeft genoten. Ook heeft belanghebbende geen stukken ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat kinderopvang heeft plaatsgevonden en dat het recht op KOT, en daarmee op compensatie, hoger zou moeten zijn dan nu door UHT is vastgesteld. De Commissie stelt vast dat de bij de bestreden beschikking aan belanghebbende toegekende compensatie is gebaseerd op het voorschot KOT dat aan belanghebbende voor 2013 werd toegekend voordat B/T onderzoek deed, te weten € 15.664. De Commissie volgt het standpunt van UHT dat component a van de compensatieberekening voor 2013 (“uw kinderopvangtoeslag voor het onderzoek”) daarom op € 15.664 dient te worden bepaald en adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Maart 2014
Belanghebbende stelt dat haar voor het toeslagjaar 2014 ook compensatie toekomt voor de maand maart, aangezien haar kind pas per 1 april 2014 naar de basisschool ging.
De Commissie overweegt het volgende. Uit het dossier moet worden afgeleid dat de KOT in 2014 ambtshalve door B/T is stopgezet. In haar gesprekken met UHT heeft belanghebbende evenwel verklaard dat zij vanaf februari 2014 geen gebruik meer maakte van kinderopvang. Het gebouw werd gesloten omdat asbest was aangetroffen.
Bij de hoorzitting heeft belanghebbende medegedeeld dat haar oudste kind in de maanden januari en februari 2014 opvang heeft genoten. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn.
Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT, zoals in het geval dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake haar van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.
Belanghebbende komt hierdoor voor maart 2014 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu een van de bestreden besluiten naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure met betrekking tot dat besluit. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van
2 november 2022 met kenmerk UHT-DHR met betrekking tot het toeslagjaar 2012 gegrond te verklaren, de beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie een proces-kostenvergoeding toe te kennen. Tenslotte adviseert de Commissie het bezwaar met betrekking tot de besluiten met kenmerk UHT-DC-I, UHT DC-I-A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter