Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10961

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 juli 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DC I en UHT-DHR)

Hoorzitting: 30 januari 2025

Overdracht advies aan UHT: 1 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de besteden beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A, UHT-DC I en UHT-DHR van 5 juli 2022 te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de hiervoor genoemde door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 26.141 voor de jaren 2012 en 2013.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2020 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012, 2013 en 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 november 2021 aan UHT verstuurd. CvW heeft - kort samengevat - geoordeeld dat belanghebbende over het toeslagjaar 2013 en over de maanden juni tot en met december 2014 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomen handelen en dat over de toeslagjaren 2012 en 2014 geen recht bestaat op compensatie op basis van hardheid van het stelsel.
  • Bij beschikking van 5 juli 2022, met kenmerk UHT-DC-I A, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij over het toeslagjaar 2014 geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel.
  • Bij beschikking van 5 juli 2022, met kenmerk UHT-DC I, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij over het toeslagjaar 2012 recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen.
  • Bij beschikking van 5 juli 2022, met kenmerk UHT-DCH, heeft UHT aan belang-hebbende medegedeeld dat zij over het toeslagjaar 2013 recht heeft op compensatie wegens hardheid van het stelsel. De totale definitieve compensatie over 2012 en 2013 bedroeg € 26.141. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, heeft geen nabetaling plaatsgevonden.
  • Gemachtigde heeft op 12 oktober 2022, ingekomen op 12 oktober 2022, tegen beschikkingen met kenmerk UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DHR een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 28 september 2023, ingekomen op
    28 september 2023 en 23 januari 2025, ingekomen op 23 januari 2025,
    het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 20 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Op 30 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Compleetheid dossier
Belanghebbende stelt dat de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen van 5 juli 2022 ontbreken. Derhalve zijn de bestreden beschikkingen onvoldoende gemotiveerd. De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikkingen zijn de bedragen in de compensatie-berekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, SAS-overzichten en overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) en uitdraaien van meldingen. De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de beschouwing van UHT d.d. 20 juni 2024 en de bijbehorende stukken, die op 11 december 2024 aan gemachtigde zijn verzonden. Op basis van de in dit dossier opgenomen stukken kon belanghebbende genoegzaam inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikkingen. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaar 2013
Belanghebbende betoogt dat ook over het toeslagjaar 2013 compensatie moet worden toegekend op de grond van vooringenomen handelen (en niet, zoals UHT heeft gedaan, op grond van hardheid). Belanghebbende vermeldt hierbij dat de stopzetting over het toeslagjaar 2013 haars inziens direct verband houdt met de stopzetting van de KOT over toeslagjaar 2012. Over dit laatst genoemde toeslagjaar is wel vooringenomen handelen aangenomen. Daarnaast betwist belanghebbende dat de uitvraagbrieven van 21 januari 2014 en 19 februari 2014 daadwerkelijk door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zijn verzonden. Als die brieven niet zijn verzonden, zou de stopzetting het gevolg zijn van een vooringenomen handeling.

De Commissie oordeelt hierover als volgt. In het dossier zijn uitvraagbrieven van 21 januari 2014 en 19 februari 2014 aanwezig. In beginsel is hiermee door B/T voldoende uitvraag gedaan alvorens de KOT over toeslagjaar 2013 per 30 april 2014 op nihil werd gesteld. Door belanghebbende zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die haar stelling dat deze uitvraagbrieven niet daadwerkelijk door B/T zijn verzonden onderbouwen. De Commissie acht het hiermee aannemelijk dat B/T de onderhavige wijziging pas doorvoerde nadat zij voldoende uitvraag had gedaan. De Commissie is daarom van oordeel dat geen sprake is geweest van een vooringenomen handeling.

Belanghebbende heeft bij de aanvulling op het bezwaar d.d. 23 januari 2025 nog betoogd dat de eerste neerwaartse correctie over het toeslagjaar 2013 van 23 april 2013 als een vooringenomen handeling dient te worden beschouwd omdat niet vaststaat dat belanghebbende zelf heeft verzocht om deze verlaging van KOT.
De Commissie is van oordeel dat deze verlaging van KOT inderdaad berust op een door belanghebbende zelf doorgegeven wijziging. De verlaging is immers door B/T doorgevoerd naar aanleiding van een telefonisch gesprek met belanghebbende waarin zij te kennen gaf dat de kinderopvang per 1 maart 2013 zou stoppen. Een kopie van de desbetreffende telefoonnotitie bevindt zich (als productie 60) bij de stukken. De KOT is naar aanleiding van deze informatie door B/T verlaagd. Daarom is sprake van een reguliere wijziging van KOT.

In deze bezwaarprocedure wordt uitsluitend getoetst of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de Wht. De procedure ziet niet op eventuele overige omissies bij de vaststelling van KOT in het verleden. Belanghebbende heeft nog betoogd dat uit de KOI-viewer blijkt dat ten aanzien van het toeslagjaar 2013 sprake is van recht op een bedrag aan KOT dan is toegekend. De Commissie kan daarover niet adviseren en verwijst naar de door UHT geschetste mogelijkheid tot het indienen van een herzieningsverzoek bij B/T.

Concluderend is de Commissie van oordeel dat over het toeslagjaar 2013 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen en dat de toekenning van compensatie terecht berust op de grondslag van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt zich ten aanzien van het toeslagjaar 2014 op het standpunt dat de stopzetting van de KOT met ingang van 16 juni 2014 ten onrechte heeft plaatsgevonden. Zij voldeed ook na die datum aan de voorwaarden om voor KOT in aanmerking te komen. Zij had vanaf die datum weliswaar een toeslagpartner maar deze was langer dan drie maanden gedetineerd. Belanghebbende verwijst naar afdeling 3.4.2 van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek.

Het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek bepaalt dat als de ouder of toeslagpartner wegens een vrijheidsbeperkende maatregel niet kon werken of voldoen aan het doelgroepsvereiste, geen recht bestond op KOT, maar dat in uitzonderlijke situaties recht op compensatie wegens hardheid van het stelsel kan bestaan. Hiervoor moet sprake zijn van een niet cumulerende veroordeling van minimaal drie maanden, terwijl verder is voldaan aan alle vereisten van KOT.
In casu is volgens UHT wel sprake van een veroordeling van de toeslagpartner van meer dan drie maanden, maar kan voornoemde regeling niet worden toegepast omdat niet is voldaan aan het basisvereiste dat de gedetineerde persoon over die gehele periode ook daadwerkelijk als toeslagpartner kwalificeerde.
De desbetreffende afdeling van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek spreekt immers van de detentie van de KOT aanvragende ouder of diens toeslagpartner. De partner van belanghebbende is eerst op 16 mei 2014 op het adres van belanghebbende ingeschreven en daarmee toeslagpartner geworden en is in die hoedanigheid vervolgens tot en met 15 juli - dus korter dan 3 maanden - gedetineerd geweest. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2015 en 2016
Belanghebbende stelt dat de jaren 2015 en 2016 ten onrechte niet zijn meegenomen in de beoordeling. De Commissie stelt vast dat de jaren 2015 en 2016 nog niet zijn beoordeeld en geen onderdeel uitmaken van deze bezwaarprocedure. UHT vermeldt in de beschouwing d.d. 20 juni 2024 dat belanghebbende desgewenst een verzoek om beoordeling van deze jaren kan indienen. Nadat UHT daarop een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen,
kan belanghebbende een nieuw bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies kan uitbrengen.

Rentevergoeding over gemiste KOT
UHT heeft in haar schriftelijk verweer opgemerkt dat de rentevergoeding over gemiste KOT ten aanzien van de toeslagjaren 2012 en 2013 incorrect is berekend. De Commissie neemt met instemming kennis van het standpunt van UHT om de rentevergoeding over gemiste KOT over 2012 in het voordeel van belanghebbende te corrigeren naar een bedrag van € 5.121 en om voor het toeslagjaar 2013 uit te gaan van de verkeerd berekende rentevergoeding, nu het toegekende bedrag van
€ 1.249 in het voordeel van belanghebbende is. De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade
Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding van de immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wet hersteloperatie toeslagen en de daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.

Kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikkingen naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • De besteden beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A, UHT-DC I en UHT-DHR van 5 juli 2022 te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter