Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10943

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 maart 2023 (UHT-DC I A)

Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 1 maart 2023.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 31 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) vanaf 2017. In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij voorlopige beschikking van 19 augustus 2022, met kenmerk UHT CHR MGU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 september 2022, ingekomen op 4 oktober 2022, tegen de beschikking van 19 augustus 2022 een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 1 maart 2023, met kenmerk UHT-DC-I A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 april 2023, ingekomen op 13 april 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 30 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 21 januari 2026 geïnformeerd dat belanghebbende en hijzelf niet bij de geplande hoorzitting op 22 januari 2026 aanwezig zijn.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Tegen het besluit van 19 augustus 2022, dat op grond van de eerste toets is genomen, heeft gemachtigde bezwaar gemaakt bij brief van 29 september 2022. Tijdens de bezwaarprocedure heeft UHT op 1 maart 2023 een beslissing genomen op grond van de integrale beoordeling. Gemachtigde heeft op 11 april 2023 hiertegen bezwaar gemaakt.

Nu de definitieve beslissing van 1 maart 2023 in de plaats is gekomen van de voorlopige beslissing van 19 augustus 2022, heeft belanghebbende geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het bezwaar van 29 september 2022. De Commissie adviseert dan ook om dit bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

Het bezwaar van 11 april 2023 zal hieronder besproken worden.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 af te wijzen.

Heroverweging toeslagjaren 2017, 2018 en 2019

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2017 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Zo was de eerste neerwaartse correctie het gevolg van het feit dat er voor beide kinderen van minder opvanguren gebruik werd gemaakt. Deze wijziging werd door de toeslagpartner van belanghebbende doorgegeven. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van wijzigingen die belanghebbende zelf heeft doorgegeven ten aanzien van onder meer de kinderopvanginstelling, het aantal opvanguren en het inkomen van belanghebbende. De laatste neerwaartse correctie vond plaats op basis van door belanghebbende aangeleverde informatie. Ook bleek dat er uiteindelijk sprake was van een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen.

Ten aanzien van toeslagjaar 2018 hebben er eveneens drie neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van een door belanghebbende doorgegeven wijziging in het aantal opvanguren. De tweede neerwaartse correctie had te maken met het feit dat het kind met bsn 4201302876 vier jaar werd. Uit de gegevens van DUO bleek dat het kind toen naar school ging. Omdat belanghebbende niet had doorgegeven dat het kind naar de buitenschoolse opvang ging, is er van uitgegaan, dat de opvang gestopt was en daarom is de KOT verlaagd. Nadat belanghebbende alsnog de wijziging had doorgegeven, dat het betreffende kind naar de BSO ging, is de toeslag weer verhoogd. Op basis van de jaaropgave over 2018, waaruit bleek dat er minder opvanguren waren afgenomen, en het feit dat er sprake was van een hoger toetsingsinkomen is de KOT nog een keer neerwaarts gecorrigeerd.

Ten aanzien van 2019 hebben er geen neerwaartse correcties plaatsgevonden.

De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskosten

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter