Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10904

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 oktober 2022 (UHT-DC I)
5 oktober 2022 (UHT-DC-I A)
5 oktober 2022 (UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 31 juli 2024

Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT het
bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I deels gegrond te
verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de op 5 oktober 2022 door UHT genomen beschikkingen met kenmerk UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet Hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.501,- over de toeslagjaren 2014, 2015 en de maanden januari tot en met mei 2016 (UHT-DC I). Over het toeslagjaar 2013 en de toeslagperiode juni tot en met december 2016 is geen compensatie toegekend (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A).

Overgangsrecht

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende verzoekt UHT op 28 mei 2020 om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016.
  • UHT heeft belanghebbende op 8 mei 2021 medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding ingevolge de Catshuisuitkering van € 30.000,-.
  • UHT heeft haar voorgenomen beschikkingen voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
  • Volgens CvW is over het toeslagjaar 2013 en de toeslagperiode februari tot en met december 2016 jegens belanghebbende geen sprake geweest van vooringenomenheid of hardheid van de Belastingdienst/Toeslagen.
  • UHT heeft 5 oktober 2022 bij beschikking met kenmerk UHT-DC I € 35.501,-toegekend aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2014, 2015 en de toeslagperiode januari tot en met mei 2016.
  • UHT heeft bij beschikkingen van dezelfde datum met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A geen compensatie toegekend over het toeslagjaar 2013 en de toeslagperiode juni tot en met december 2016.
  • Gemachtigde heeft op 9 november 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikkingen van 5 oktober 2022. Het bezwaarschrift is op 11 november 2022 door UHT ontvangen.
  • Gemachtigde heeft de bezwaargronden op 6 september 2023 en op 21 juli 2024 aangevuld.
  • UHT heeft op 13 februari 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 31 juli 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Commissie.
    Het verslag van de hoorzitting is bij dit advies gevoegd.
  • Na de hoorzitting heeft een aanvullende schriftelijke ronde plaatsgevonden.
  • Gemachtigde heeft op 7 augustus 2024 de gronden van het bezwaar aangevuld. UHT is meermaals in de gelegenheid gesteld te reageren, maar heeft dat niet meer gedaan. De Commissie heeft daarom nu advies uitgebracht zonder een reactie van UHT. Dit advies wordt gegeven door de voorzitter en 2 commissie-leden.

Ontvankelijkheid

Het is niet in geschil dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Beoordeling compensatieberekening toeslagjaren 2014, 2015 en 2016

Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 individueel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-
DC I een forfaitair compensatiebedrag van € 35.501,- toegekend aan de hand van een compensatieberekening.

UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure vastgesteld dat de compensatieberekening ten aanzien van de rente gemiste kinderopvangtoeslag (onderdeel o) van de compensatieberekening) niet klopt. Deze rentevergoeding dient ingevolge artikel 27 lid 2 Awir te worden berekend met ingang van zes maanden na het te compenseren toeslagjaar tot aan de datum van de compensatiebeschikking. De rente gemiste kinderopvangtoeslag is over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 niet met inachtneming van artikel 27 lid 2 Awir berekend.

De Commissie adviseert UHT om de rente gemiste kinderopvangtoeslag bij beslissing op bezwaar met inachtneming van artikel 27 lid 2 Awir te berekenen.
Het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I is deels gegrond.

Immateriële schadevergoeding tot de datum van de beslissing op bezwaar

De Commissie overweegt dat de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade een vergoeding is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbende ervaart omdat het lang duurt voordat de compensatie definitief is berekend.

Belanghebbende heeft door de bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve berekening van haar compensatie en hiervan stress ervaren die nog steeds voortduurt.

In een situatie als deze hanteert UHT - zoals ook bij haar schriftelijke reactie aangegeven - als einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade de datum van de beslissing op bezwaar. Het bezwaar is deels gegrond. De Commissie adviseert UHT de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar.

Afwijzing compensatie toeslagjaar 2013 & juni tot en met december 2016

Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 individueel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-DC I een forfaitair compensatiebedrag van € 35.501,- toegekend aan de hand van een compensatieberekening.

UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure vastgesteld dat de compensatieberekening ten aanzien van de rente gemiste kinderopvangtoeslag (onderdeel o) van de compensatieberekening) niet klopt. Deze rentevergoeding dient ingevolge artikel 27 lid 2 Awir te worden berekend met ingang van zes maanden na het te compenseren toeslagjaar tot aan de datum van de compensatiebeschikking. De rente gemiste kinderopvangtoeslag is over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 niet met inachtneming van artikel 27 lid 2 Awir berekend.

De Commissie adviseert UHT om de rente gemiste kinderopvangtoeslag bij beslissing op bezwaar met inachtneming van artikel 27 lid 2 Awir te berekenen.
Het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I is deels gegrond.

Immateriële schadevergoeding tot de datum van de beslissing op bezwaar

De Commissie overweegt dat de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade een vergoeding is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbende ervaart omdat het lang duurt voordat de compensatie definitief is berekend.

Belanghebbende heeft door de bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve berekening van haar compensatie en hiervan stress ervaren die nog steeds voortduurt.

In een situatie als deze hanteert UHT - zoals ook bij haar schriftelijke reactie aangegeven - als einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade de datum van de beslissing op bezwaar. Het bezwaar is deels gegrond. De Commissie adviseert UHT de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar.

Afwijzing compensatie toeslagjaar 2013 & juni tot en met december 2016

Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 individueel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-DC I een forfaitair compensatiebedrag van € 35.501,- toegekend aan de hand van een compensatieberekening.

UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure vastgesteld dat de compensatieberekening ten aanzien van de rente gemiste kinderopvangtoeslag (onderdeel o) van de compensatieberekening) niet klopt. Deze rentevergoeding dient ingevolge artikel 27 lid 2 Awir te worden berekend met ingang van zes maanden na het te compenseren toeslagjaar tot aan de datum van de compensatiebeschikking. De rente gemiste kinderopvangtoeslag is over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 niet met inachtneming van artikel 27 lid 2 Awir berekend.

De Commissie adviseert UHT om de rente gemiste kinderopvangtoeslag bij beslissing op bezwaar met inachtneming van artikel 27 lid 2 Awir te berekenen.
Het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I is deels gegrond.

Immateriële schadevergoeding tot de datum van de beslissing op bezwaar
De Commissie overweegt dat de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade een vergoeding is voor veronderstelde stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbende ervaart omdat het lang duurt voordat de compensatie definitief is berekend.

Belanghebbende heeft door de bezwaarprocedure langer moeten wachten op de definitieve berekening van haar compensatie en hiervan stress ervaren die nog steeds voortduurt.

In een situatie als deze hanteert UHT - zoals ook bij haar schriftelijke reactie aangegeven als einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade de datum van de beslissing op bezwaar. Het bezwaar is deels gegrond. De Commissie adviseert UHT de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar.

    Afwijzing compensatie toeslagjaar 2013 & juni tot en met december 2016

    Volgens belanghebbende is het toeslagjaar 2013 ten onrechte niet gecompenseerd. UHT had ook over de periode juni tot en met december van het toeslagjaar 2016 compensatie moeten toekennen. De Commissie overweegt als volgt.

    Op 29 mei 2015 werd de kinderopvangtoeslag 2013 door de Belastingdienst/Toeslagen verminderd van € 5.279,- naar € 4.841,- op basis van een lager rekentarief en toetsingsinkomen. Het rekentarief is daarbij vastgesteld conform de op 17 april 2015 door de ouder verstrekte jaaropgave van de kinderopvang (productie 16). Deze neerwaartse correctie komt de Commissie als een reguliere correctie voor. Voor compensatie onder de Wht is dan ook geen aanleiding.

    Over het toeslagjaar 2016 is compensatie toegekend voor de periode waarin gebruik is gemaakt van kinderopvang tot en met mei 2016. Belanghebbende maakt aanspraak op compensatie over de periode juni tot en met december 2016, omdat zij als gevolg van de (vooringenomen) neerwaartse correctie van 21 april 2016 van € 12.959,- naar € 1.080,- eind mei 2016 de kinderopvang noodgedwongen moest staken.

    Onder de Wht wordt forfaitair geen compensatie toegekend over een periode waarin geen kinderopvang heeft plaatsgevonden. Belanghebbende wijst erop dat UHT soms compensatie toekent terwijl niet geheel zeker is of over een bepaalde periode kinderopvang heeft plaatsgevonden. Er wordt ouders soms het voordeel van de twijfel vergund. Gemachtigde heeft (anonieme) voorbeelden van begunstigend handelen van UHT ingezonden. In het geval van belanghebbende is echter in confesso dat na mei 2016 geen kinderopvang meer heeft plaatsgevonden. Dat blijkt voldoende uit de zienswijze toeslagjaar 2016, zoals opgenomen in het informatie en beoordelingsformulier (blz. 45 dossier) en ook op de hoorzitting is gemeld. Dat na de hoorzitting nog informatie is ingezonden over betalingen na mei 2016 geeft geen aanleiding anders te oordelen. Ook in genoemde zienswijze is reeds vermeld dat er na mei 2016 betalingen hebben plaatsgevonden, maar dat betroffen afbetalingen van de achterstand. Het gaat hier dan ook niet om een vergelijkbare situatie. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen.

    Al met al kan het bezwaar dat gericht is tegen de herbeoordeling van het toeslagjaar 2013 en de toeslagperiode juni – december 2016 niet slagen.

    Voor aanvullende schadevergoeding naar CWS
    Deze bezwaarschriftprocedure heeft slechts betrekking op de toekenning van een standaardvergoeding en niet op de vergoeding van werkelijke schade. Niet uitgesloten is dat belanghebbende als gevolg van het noodgedwongen stoppen van de kinderopvang schade heeft geleden. Indien belanghebbende meent dat zij meer schade heeft geleden, dan kan zij daarvoor bij CWS een verzoek indienen om vergoeding te vragen van aanvullende werkelijke schade zoals omschreven in artikel 2.1 lid 3 Wht.

    Proceskostenvergoeding
    UHT heeft bij schriftelijke reactie toegezegd de proceskosten van belanghebbende te zullen vergoeden. Belanghebbende heeft op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

    Conclusie

    De Commissie adviseert UHT:

    • het bezwaar tegen de beschikkingen van 5 oktober 2022 met kenmerk (UHT-DC-I A) en (UHT-DH5 A) ongegrond te verklaren;
    • het bezwaar tegen de beschikking van 5 oktober 2022 met kenmerk (UHT-DC I) deels gegrond te verklaren en deze beschikking te herroepen;
    • de rente gemiste kinderopvangtoeslag opnieuw te berekenen met inachtneming van artikel 27 Awir;
    • de vergoeding van immateriële schade te berekenen met ingang van 4 november 2015 tot de datum van de beslissing op bezwaar;
    • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag aan te passen;
    • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

    [handtekening]

    Secretaris

    [handtekening]

    Fungerend voorzitter