Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10855

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 september 2022 (UHT-DC-I A), 28 september 2022 (UHT-DH5 A), 28 september 2022 (UHT-DC I)

Ontvangst bezwaarschrift: 6 oktober 2022

Hoorzitting: 30 mei 2024

Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van 28 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 telefonisch een herbeoordelingsverzoek ingediend voor de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012.
  • Bij beschikking van 26 mei 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een forfaitair compensatiebedrag van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 juli 2022 aan UHT verstuurd. CvW heeft –kort samengevat-geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2011 en de maanden januari en februari 2012.
  • Bij beschikking van 28 september 2022, met kenmerk UHT-DC I, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij over het toeslagjaar 2011 en de maanden januari en februari 2012 recht heeft op een definitief compensatiebedrag van €36.572. Omdat belanghebbende al € 30.000. aan compensatie heeft ontvangen, heeft een nabetaling plaatsgevonden van € 6.572.
  • Bij beschikkingen van 28 september 2022, met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij na de herbeoordeling geen recht heeft op een compensatiebedrag over de maanden maart tot en met december 2012.
  • Bij brief van 4 oktober 2022, ingekomen op 6 oktober 2022, heeft gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A. Het bezwaar wordt na overleg met partijen geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I.
  • Bij brief van 5 april 2023 heeft gemachtigde UHT in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het ingediende bezwaar.
  • Op 14 juni 2023 heeft gemachtigde beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.
  • Bij e-mail van 26 juni 2023 heeft gemachtigde de gronden van bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 25 juli 2023 schriftelijke gereageerd op de bezwaren van belanghebbende.
  • Op 30 mei 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
  • De Commissie, bestaand uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft de bezwaren behandeld en het hiernavolgende advies opgesteld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Recht op compensatie over de maanden maart tot en met december 2012

Belanghebbende stelt dat zij de KOT over het toeslagjaar 2012 niet zelf heeft stopgezet. Zij stelt daarbij dat zij vanaf februari 2012 al geen KOT meer ontving. Door deze stopzetting was belanghebbende gedwongen om per maart 2012 haar kinderen van de opvang af te halen omdat zij de opvang niet meer kon betalen. Belanghebbende stelt om deze redenen dat zij ook recht heeft op compensatie over de maanden maart tot en met december 2012. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Belanghebbende is, aldus UHT, gecompenseerd op basis van vooringenomen handelen door de Belastingdienst (hierna: B/T) over de maanden januari en februari 2012. Uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) voor het toeslagjaar 2012 blijkt dat belanghebbende op 15 februari 2012 voor het laatst zelf de KOT heeft ontvangen. In de maanden maart tot en met juli 2012 is de KOT uitbetaald aan een gerechtsdeurwaarder met de naam X. Uit het dossier maakt de Commissie net als UHT op dat B/T de KOT op verzoek van belanghebbende heeft stopgezet.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in een jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de periode maart tot en met december 2012, nu belanghebbende in deze maanden geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. UHT wijst daarbij op het verhaal van de ouder over de gang van zaken begin 2012 in het Informatie en Beoordelingsformulier. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. In het aanvullend bezwaarschrift van 26 juni 2023 stelt belanghebbende daarentegen dat zij niet zelf de toeslag heeft stopgezet. Dat zou het gevolg zijn van een ambtelijk besluit. UHT heeft toegelicht dat dit besluit plaatsvond op verzoek van de ouder. Slotsom van een en ander is dat de ouder indertijd per maart 2012 haar kinderen van de opvang heeft afgehaald.

Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de periode maart tot en met december 2012 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie merkt wel op dat belanghebbende voor compensatie over deze periode mogelijk een beroep kan doen op een procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). De Commissie adviseert het bezwaar wat betreft het niet toekennen van compensatie daarom ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding over gemiste KOT

UHT heeft in haar schriftelijk verweer opgemerkt dat de rentevergoeding over gemiste KOT incorrect is berekend. Deze berekening is in het nadeel van belanghebbende. De Commissie neemt met instemming kennis van het standpunt van UHT om de rentevergoeding over gemiste KOT in het voordeel van belanghebbende te corrigeren. De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Immateriële schadevergoeding

Nu de Commissie het bezwaar met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding van de immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het bestreden besluit op bepaalde onderdelen dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Samenvattend adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar, gericht tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, ongegrond te verklaren;
  • Het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I, gegrond te verklaren in die zin dat:
    • de rentevergoeding over gemiste KOT opnieuw wordt berekend;
    • de vergoeding voor immateriële schade wordt berekend tot de datum van de beslissing op bezwaar;
    • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal opnieuw wordt berekend en aangepast;
  • Een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter