BAC 2022-10804
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 september 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 2 mei 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 13 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren gericht tegen de beschikkingen van 28 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren en om in de beslissing op bezwaar uitvoering te geven aan de toezeggingen die UHT in haar beschouwing heeft gedaan ten aanzien van het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I dat naderhand door gemachtigde is ingetrokken.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904;) compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.813 voor het jaar 2011.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 oktober 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2010.
Na overleg door de persoonlijk zaakbehandelaar met belanghebbende is het verzoek uitgebreid met de jaren 2011 en 2012. - UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 9 juni 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.655.
- UHT heeft bij beschikking van 28 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.813.
- UHT heeft bij beschikkingen van 28 september 2022 met kenmerken UHT-
DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2012. - Gemachtigde heeft bij brieven van 8 november 2022, ingekomen op 9 november 2022, tegen deze beschikkingen drie bezwaarschriften ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 september 2023 de bezwaarschriften aangevuld en daarbij aangegeven het bezwaarschrift tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I in te trekken.
- UHT heeft op 3 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Per brief van 27 februari 2025 heeft gemachtigde naar aanleiding van het schriftelijke verweer van UHT aanvullende gronden ingediend.
- UHT heeft op 2 april 2025 schriftelijk gereageerd op de aanvullende bezwaargronden van 27 februari 2025.
- Op 2 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op het verhandelde ter zitting, waarbij belanghebbende heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de toelichting zoals deze blijkt uit de schriftelijke beschouwing van UHT, resteren nog de volgende, door de Commissie te bespreken, bezwaren tegen de bestreden besluiten.
Toezeggingen ten aanzien van het ingetrokken bezwaarschrift gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I
Gemachtigde heeft per brief van 8 november 2022 bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 28 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I. Gemachtigde heeft het bezwaarschrift nadien per brief van 14 september 2023 ingetrokken.
UHT heeft echter na de intrekking van het bezwaarschrift door gemachtigde in haar schriftelijke beschouwing ambtshalve de compensatieberekening getoetst en zij heeft daarbij geconcludeerd dat er fouten zijn gemaakt bij de berekening van het compensatiebedrag ten aanzien van de rentevergoeding gemiste KOT (onderdeel o in de compensatieberekening). UHT heeft toegezegd de rentevergoeding in het voordeel van belanghebbende te zullen aanpassen. UHT heeft daarnaast toegezegd dat, overeenkomstig het beleid van UHT, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n in de compensatieberekening) - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Tot slot zal door UHT ook de hoogte van de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal in de beslissing op bezwaar worden aangepast (onderdeel p in de compensatieberekening). Gelet op het feit dat UHT deze toezeggingen heeft gedaan, nadat het bezwaarschrift door gemachtigde is ingetrokken, vertrouwt de Commissie er op dat UHT, op grond van het vertrouwensbeginsel, uitvoering zal geven aan de door haar gedane toezeggingen en het primaire besluit in zoverre ambtshalve te herroepen.
De Commissie zou zich daarbij kunnen voorstellen om als einddatum van de immateriële schadevergoeding, de datum van het herziene besluit te hanteren.
Beoordeling afwijzing compensatie 2012
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2012 af te wijzen.
Gemachtigde heeft een berekening gemaakt van de hoogte van de KOT voor het toeslagjaar 2012 door het aantal afgenomen opvanguren te vermenigvuldigen met het door de kinderopvanginstelling gehanteerde uurtarief en hij komt daarbij uit op een bedrag van € 13.297. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat B/T vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld door de KOT bij beschikking van 21 november 2012 te verlagen naar een bedrag van € 10.807 in plaats van € 13.297, zonder eerst daarover bij belanghebbende een uitvraag of navraag te doen. De Commissie overweegt dat de berekening van de hoogte van de KOT afhankelijk is van verschillende factoren. Zo is de hoogte van de KOT ingevolge artikel 3 van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang, zoals dat gold in het toeslagjaar 2012 (hierna: Besluit KOT 2012) afhankelijk van het aantal kinderen waarvoor KOT is aangevraagd. Voorts is er, ingevolge artikel 4 Besluit KOT 2012, een maximumprijs verbonden aan het uurtarief. Ingevolge artikel 6 van het Besluit KOT 2012 (daarbij verwijzend naar bijlage 1 van het Besluit KOT 2012) is de berekening van de hoogte van de KOT tevens afhankelijk van de hoogte van het toetsingsinkomen. Artikel 8a van het Besluit KOT 2012 bepaalt voorts het maximaal aantal uren waarvoor KOT kan worden aangevraagd. De hoogte van de KOT kan derhalve niet correct worden berekend door enkel het aantal opvanguren te vermenigvuldigen met het door de kinderopvanginstelling gehanteerde uurtarief. De door de gemachtigde op dit punt ontwikkelde redenering mist daarom overtuigingskracht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie er op vertrouwt dat UHT, conform de ter zitting herhaalde toezegging, het besluit met kenmerk UHT-DC-I zal herroepen gaat de Commissie er tevens van uit dat UHT het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure zal toewijzen op de gebruikelijke wijze.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om de bezwaren gericht tegen de beschikkingen van 28 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter