BAC 2022-10780
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 oktober 2022 (UHT DC I)
Hoorzitting: 18 oktober 2024 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 21 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond
te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen. Voorts adviseert de
Commissie UHT om de bezwaren tegen de beschikkingen met kenmerken
UHTDC-I A, UHT-DH5 A en UHT-O-OBS B ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is op 2 augustus 2022 met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 60.157 (inclusief de ‘Catshuisregeling’ van € 30.000) voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014.
Daarnaast is aan belanghebbende per beschikking van 26 januari 2023 voor het jaar 2012 een tegemoetkoming voor Opzet/Grove schuld (O/GS) toegekend van
€ 3.276. Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2016.
- Bij beschikking van 24 februari 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 is aan belanghebbende een bedrag van € 30.000 toegekend (Catshuisregeling).
- Op 25 juli 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheids-compensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016.
- UHT heeft op 2 augustus 2022 bij vooraankondiging met kenmerk UHT-VC I aan belanghebbende over de toeslagjaren 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014 een compensatie toegekend voor een bedrag van totaal € 59.809. Dit bedrag is inclusief de reeds toegekende € 30.000 van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij beschikking van 11 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatiebedrag toegekend van € 60.157 voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 11 oktober 2022 met kenmerk UHT-DH5 A meegedeeld dat aan belanghebbende geen compensatie wordt toegekend vanwege hardheid voor de jaren 2012, 2015 en 2016.
- In de derde beschikking van 11 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC-I A heeft UHT definitief de compensatie kinderopvangtoeslag over de jaren 2012, 2015 en 2016 afgewezen.
- Belanghebbende heeft bij brief van 14 oktober 2022, ingekomen op 19 oktober 2022, een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking met kenmerk
UHT-DC I. - UHT heeft op 26 januari 2023 per beschikking met kenmerk UHT-O OGS B een O/GS-tegemoetkoming over het toeslagjaar 2012 toegekend van € 3.276.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 maart 2023, ingekomen op 24 maart 2023, het bezwaarschrift aangevuld en bezwaar ingediend tegen de vier beschikkingen met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-O OGS B.
- Op 3 oktober 2023 heeft gemachtigde aanvullende bezwaargronden aangeleverd.
- UHT heeft op 7 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 18 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 november 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar per brief van 11 december 2024 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie wenst allereerst op te merken dat de door gemachtigde aangevoerde punten in haar zienswijze van 11 december 2024 zien op bezwaargronden die reeds door UHT in de schriftelijke reactie van 7 april 2024 zijn behandeld en tevens tijdens de (schorsing van de) hoorzitting zijn besproken.
Gelet daarop en op het verhandelde ter zitting, waarbij belanghebbende heeft aangegeven dat de bezwaren tegen de toeslagjaren 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014 naar haar tevredenheid door UHT nader zijn toegelicht, resteren nog de volgende, door de Commissie te bespreken, bezwaren tegen de bestreden besluiten.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat B/T over de jaren 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht, een bedrag van € 60.157 toegekend.
Gemachtigde voert aan dat een onjuiste startdatum voor de immateriële schadevergoeding is gehanteerd. Deze dient, in tegenstelling tot de door UHT gehanteerde startdatum van 18 april 2012, te worden bepaald op 24 december 2010.
UHT heeft naar aanleiding van deze bezwaarprocedure nogmaals gekeken naar de compensatieberekening en blijkens het gestelde in haar schriftelijke beschouwing geconstateerd dat ten aanzien van de startdatum voor de immateriële schadevergoeding (onderdeel n in de compensatieberekening) is uitgegaan van een onjuiste startdatum. Dit onderdeel zal door UHT worden herzien door de startdatum van 24 december 2010 aan te houden. Daarnaast heeft UHT ambtshalve vastgesteld dat de rentevergoeding over gemiste KOT (onderdeel o in de compensatieberekening) over de jaren 2009, 2010, 2011 en 2013 tevens onjuist is vastgesteld. UHT heeft toegezegd de rentevergoeding over deze KOT-jaren in het voordeel van belanghebbende te zullen aanpassen.
UHT acht het bezwaar op dit onderdeel derhalve gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. UHT heeft daarnaast toegezegd dat, overeenkomstig het beleid van UHT in zaken waarin het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Tot slot zal door UHT ook de hoogte van de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal in de beslissing op bezwaar worden aangepast (onderdeel p in de compensatieberekening). De Commissie adviseert UHT dienovereenkomstig.
Beoordeling afwijzing compensatie 2012, 2015 en 2016
Belanghebbende stelt dat ten onrechte is aangenomen dat er in deze jaren geen sprake is geweest van vooringenomenheid of hardheid. Er hebben in deze jaren namelijk neerwaartse correcties, overheidsvorderingen en verrekeningen plaatsgevonden.
Gemachtigde voert aan dat in een andere vergelijkbare zaak door UHT wel vooringenomenheid is aangenomen vanwege de verrekeningen.
UHT stelt dat de KOT berekeningen voor de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016 op een correcte wijze zijn verlopen. Er is weliswaar neerwaarts gecorrigeerd, echter betroffen dit reguliere correcties. Voorts heeft UHT in de nadere schriftelijke reactie van 14 november 2024 toegelicht dat B/T bevoegd was om de toegekende KOT te verrekenen met openstaande vorderingen op basis van artikel 30 van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De overheidsvorderingen zijn, volgens UHT, terecht door B/T ingesteld op grond van artikel 19, vierde lid, van de Invorderingswet 1990.
Belanghebbende heeft derhalve over de jaren 2015 en 2016 geen recht op compensatie op grond van groepsgewijze of individuele vooringenomen handelen door B/T. Belanghebbende heeft ook geen recht op de hardheidsregeling. Er is ook, zo stelt UHT, geen sprake geweest van een weigering van een betalingsregeling op grond van O/GS over de jaren 2015 en 2016, zodat belanghebbende geen recht heeft op de O/GS-tegemoetkoming over deze jaren.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016 waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van correcties in het verzamelinkomen, het aantal genoten opvanguren en de stopzetting van de KOT door belanghebbende per 13 juni 2016 is aangepast. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS over de toeslagjaren 2015 en 2016, in tegenstelling tot het toeslagjaar 2012, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Voorts overweegt de Commissie dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid.
De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14).
Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7,
p. 14).
Ten aanzien van de overheidsvordering van € 445 overweegt de Commissie dat uit het LIC-overzicht 2015 volgt dat op 11 april 2017 een bedrag van € 445 is verrekend met een openstaande vordering dat ziet op de inkomensheffing 2017. Vervolgens is op 24 april 2017 een teveel betaalde bedrag van € 445 verrekend met een openstaande vordering dat ziet op KOT 2012. De Commissie ziet hierin geen aanleiding om vooringenomenheid dan wel hardheid aan te nemen. B/T is immers op grond van artikel 30 Awir bevoegd om de toegekende KOT over een toeslagjaar te verrekenen met openstaande vorderingen bij B/T. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ook voor wat betreft het door belanghebbende gestelde dat de termijn waarbinnen de definitieve beschikking over het toeslagjaar 2015 is afgegeven dermate lang is dat zij op basis daarvan in aanmerking moet komen voor compensatie, overweegt de Commissie dat de omstandigheid dat de KOT voor toeslagjaar 2015 pas in mei van dat jaar als voorschot is toegekend en pas in november 2016 definitief is vastgesteld, op zichzelf niet maakt dat er sprake is van een vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid in de toepassing van het stelsel. De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatie dekt niet de (im)materiële schade
Gemachtigde heeft aangevoerd dat het forfaitaire bedrag van € 500 per half jaar voor immateriële schadevergoeding niet toereikend is voor de daadwerkelijk geleden schade.
UHT stelt dat de immateriële schadevergoeding forfaitair is opgebouwd. Dit betekent dat deze vergoeding niet de werkelijk geleden schade vergoedt. Op grond van de Wht bedraagt de immateriële schadevergoeding € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen het eerste neerwaartse correctiebesluit en de dagtekening van de eerste beschikking waarmee de compensatie voor correctiebesluiten wordt vastgesteld (artikel 2.3 lid 4 jo artikel 2.2 lid d Wht). Op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht is het niet mogelijk om een hogere schadevergoeding toe te kennen. Wel biedt de Wht de mogelijkheid om voor de werkelijk geleden schade een verzoek om aanvullende compensatie in te dienen bij de commissie werkelijke schade, zoals ook is gedaan door belanghebbende.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade en dat in alle fases van toekenning rechtsbescherming wordt geboden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling beroep op het gelijkheidsbeginsel
Gemachtigde heeft aangegeven dat UHT in een vergelijkbare zaak heeft beoordeeld dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T in een toeslagjaar waarin veel verrekeningen hebben plaatsgevonden. Gemachtigde is van mening dat de situatie van belanghebbende vergelijkbaar is en UHT daarom ook in het geval van belanghebbende vooringenomenheid dient aan te nemen voor de toeslagjaren 2015 en 2016.
UHT stelt dat de door gemachtigde aangehaalde zaak geen vergelijkbaar geval betreft. In die zaak speelde een combinatie van bijzondere omstandigheden, waarin de verrekeningen een onderdeel vormden. UHT is van mening dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, maar dat het sec gaat om de verrekeningen. Op die basis concludeert UHT dat geen sprake is van gelijke gevallen.
De Commissie overweegt hierover het volgende. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient degene die daar een beroep op doet in de eerste plaats een concreet geval aan te dragen waarbij de feiten en omstandigheden vergelijkbaar zijn, maar wel anders is beslist. UHT stelt dat de door gemachtigde aangehaalde zaak niet kan worden aangemerkt als een vergelijkbaar geval, omdat in die andere zaak een combinatie van bijzondere omstandigheden hebben gespeeld die niet aan de orde zijn geweest in het geval van belanghebbende. De Commissie acht deze stelling van UHT op zichzelf niet onbegrijpelijk. Echter, de Commissie is niet geïnformeerd over alle feiten en omstandigheden van de aangehaalde zaak, maar beschikt slechts over het door haar in de andere zaak uitgebrachte advies. Uit dit advies valt niet goed op te maken op welke 'combinatie van bijzondere omstandigheden' UHT concreet doelt. Hierdoor is voor de Commissie niet volledig toetsbaar in hoeverre de feiten en omstandigheden van beide zaken overeenkomen dan wel verschillen. Het ligt daarom op de weg van UHT om op dit punt nader te motiveren waarom de onderhavige zaak verschilt van de door de gemachtigde aangehaalde zaak. De Commissie adviseert UHT om hieraan uitdrukkelijk aandacht te besteden in de beslissing op bezwaar.
Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en ook onvoldoende is gemotiveerd.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking, adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 11 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC-I gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de, ingevolgde de Wht samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zoverre te herroepen;
- het bezwaar gericht tegen de beschikkingen van 11 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren;
- het bezwaar gericht tegen de beschikking van 26 januari 2023 met kenmerk UHT-O-OGS B ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter