BAC 2022-10707
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 november 2022 (met kenmerk UHT-DC-I A en kenmerk UHT-DC I)
Hoorzitting: 21 november 2024
Overdracht advies aan UHT: 3 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT
om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het besluit met kenmerk UHT-DC I te herzien.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (met kenmerk UHT-DC-I A )
over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 en de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (met kenmerk UHT-DC I) over de toeslagjaren 2007 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 26 januari 2022 aan de bewindvoerder van belanghebbende medegedeeld dat belanghebbende in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- (Catshuisregeling).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2008, 2009 en 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft op 5 oktober 2022 bij vooraankondiging aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.330,- voor de jaren 2007 en 2011.
- UHT heeft bij definitieve beschikking van 2 november 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.894,- voor de jaren 2007 en 2011.
- UHT heeft bij definitieve beschikking van 2 november 2022 met kenmerk UHT - DC-I A compensatie voor de jaren 2008, 2009 en 2010 afgewezen.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 november 2022, ingekomen op 9 november 2022, tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft het bezwaarschrift per e-mail van 24 juli 2023 aangevuld.
- UHT heeft op 14 augustus 2023 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en de aanvulling daarvan.
- Per e-mailbericht van 15 januari 2024 heeft gemachtigde het bezwaarschrift verder aangevuld met stukken die betrekking hebben op de berekening van de compensatie voor de jaren 2007 en 2011.
- Eveneens per e-mailbericht heeft gemachtigde op 18 november 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 21 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 november 2024 een nadere schriftelijke beschouwing, gedateerd 19 november 2024, ingediend. Op 5 en 9 december 2024 heeft UHT eveneens aanvullende informatie toegestuurd. Vervolgens heeft gemachtigde op de aanvullend informatie en standpunten van UHT gereageerd en ook aanvullende stukken toegestuurd. Op 18 december 2024 heeft UHT op het bericht van gemachtigde gereageerd. Tot slot heeft gemachtigde op 20 december 2024 een laatste inhoudelijke reactie ingezonden.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2007 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 en 2010 af te wijzen. De Commissie beantwoordt deze vraag deels bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
KOT 2009
Uit de voorhanden stukken volgt dat B/T de KOT voor het toeslagjaar 2009 in eerste instantie automatisch heeft gecontinueerd. Belanghebbende werd op 28 juni 2012 en 16 oktober 2012 door B/T per brief om informatie verzocht. B/T ontving op deze verzoeken van belanghebbende geen reactie. Vervolgens is de KOT voor dit toeslagjaar op nihil gesteld vanwege non-respons.
UHT stelt zich op het standpunt dat B/T niet over gegevens beschikte waaruit kon worden afgeleid dat belanghebbende op grond van art. 1.6 Wet kinderopvang (hierna: Wko) in aanmerking kwam voor KOT. Het was B/T niet bekend dat belanghebbende inkomsten genoot uit werk, dat zij studeerde of een traject volgde dat naar werk toe zou leiden. In het ABS-systeem van B/T zijn volgens UHT geen gegevens opgenomen die erop duiden dat belanghebbende in 2009 inkomen uit werk zou hebben genoten. Tegen die achtergrond had belanghebbende, aldus UHT, in 2009 geen recht op KOT. De omstandigheid dat in de KOI-viewer geen gegevens zijn opgenomen waaruit kan blijken dat belanghebbende in 2009 kinderopvang afnam, bevestigt voor UHT dat belanghebbende in 2009 geen recht had op KOT.
Belanghebbende heeft in de bezwaarprocedure diverse stukken in het geding gebracht. Het betreft allereerst een plaatsingsbewijs waaruit kan worden afgeleid dat zij per 1 januari 2009 een contract voor kinderopvang sloot met kinderopvangorganisatie voor 234 uren per maand in de periode
2 februari tot en met 9 augustus 2011. Daarnaast is door belanghebbende correspondentie tussen een bewindvoerder van belanghebbende en een incassobureau ingebracht. Uit deze correspondentie volgt dat belanghebbende in 2022 nog werd aangemaand voor de voldoening van de kosten van kinderopvang door de kinderopvanginstelling in 2009. Verder is een foto voorhanden waarop de zoon van gemachtigde zichtbaar is op de kinderopvang. Tot slot stuurde gemachtigde de Commissie een verzekeringsbericht toe van het UWV waaruit volgt dat het jaar 2009 voor belanghebbende meetelt bij de bepaling van de duur van een eventuele uitkering.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij in de jaren 2010 en 2011 7 keer is verhuisd en dat haar communicatie met B/T al jarenlang moeizaam verloopt. B/T blijkt stukken, die belanghebbende heeft toegestuurd, niet te hebben ontvangen of geregistreerd.
Omgekeerd ontvangt ook belanghebbende niet alle stukken die haar door B/T worden toegezonden. Recentelijk nog kwamen een IGS-brief en een schikkingsvoorstel niet aan. Als gevolg van financiële problemen is belanghebbende onder bewind gesteld geweest. Verschillende bewindvoerders voerden achtereenvolgens haar administratie als gevolg waarvan belanghebbende niet meer over haar administratie beschikt. Dit vormt mogelijk een oorzaak voor het ontbreken van informatie over belanghebbende bij B/T en maakt dat zij, zoals gemachtigde het namens haar heeft geformuleerd, in de onderhavige procedure in bewijsnood verkeert.
Op grond van de hiervoor weergegeven stukken kan, naar het oordeel van de Commissie, worden aangenomen dat belanghebbende in 2009 heeft gewerkt en derhalve op grond van de Wko in aanmerking kwam voor KOT. Aan de hand van de berichten van het incassobureau die gemachtigde aan het bezwaarschrift heeft gehecht, wil de Commissie ook aannemen dat er in 2009 kinderopvang heeft plaatsgevonden waarvoor belanghebbende facturen van de kinderopvang-instelling heeft ontvangen. Dit maakt het bezwaar van belanghebbende evenwel nog niet gegrond.
De nihilstelling van de KOT heeft plaatsgevonden op 28 november 2012 nadat belanghebbende tweemaal door B/T werd aangeschreven en in de gelegenheid werd gesteld om aan te tonen dat zij voor het toeslagjaar 2009 voor KOT in aanmerking kwam. Op de verzoeken om informatie heeft belanghebbende niet gereageerd. Evenmin heeft zij tegen de nihilstelling van de KOT bezwaar gemaakt. Ten aanzien van de communicatie met belanghebbende overweegt de Commissie dat uit het relaas van belanghebbende volgt dat zij in 2011 introk bij een nieuwe partner, waarna de woonsituatie van betrokkene stabiliseerde. In 2014 vonden belanghebbende en haar toenmalige partner samen een nieuwe woning, waar belanghebbende nu ook nog woonachtig is. De Commissie acht het, gezien de vele verhuizingen waaraan belanghebbende heeft gerefereerd, voorstelbaar dat berichten van B/T haar in de jaren
2010 en 2011 wellicht niet hebben bereikt. Zoals hiervoor aan de orde kwam, dateren de brieven van B/T met betrekking tot de herziening en definitieve berekening van de KOT echter van na 2011, namelijk van 28 juni 2012 en 16 oktober 2012. Tegen die achtergrond is niet zonder meer aannemelijk dat belanghebbende de door B/T aan haar toegestuurde informatiebrieven niet heeft ontvangen. Evenmin is tegen deze achtergrond begrijpelijk waarom belanghebbende geen bezwaar tegen de nihilstelling heeft gemaakt. Nu belanghebbende voorafgaand aan de nihilstelling tweemaal door B/T is aangeschreven, is voorafgaand aan de nihilstelling geen sprake geweest van vooringenomen handelen van B/T jegens belanghebbende. De nihilstelling is conform de wet uitgevoerd. Een dergelijke nihilstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
KOT 2010
Uit het informatie- en beoordelingsformulier volgt dat de KOT ook voor het toeslagjaar 2010 op nihil is gesteld omdat sprake zou zijn geweest van non-respons. UHT heeft erkend dat er met betrekking tot het jaar 2010 sprake is van een indicatie van vooringenomenheid omdat door B/T met betrekking tot de kinderopvang bij belanghebbende geen gegevens zijn opgevraagd voordat de beslissing tot nihilstelling werd genomen. Uit de KOI-viewer blijkt echter niet dat belanghebbende in 2010 kinderopvang heeft afgenomen. Tegen die achtergrond heeft UHT geoordeeld dat er evident geen recht op KOT was in het jaar 2010 en belanghebbende, ondanks mogelijk vooringenomen handelen jegens haar, niet voor compensatie in aanmerking komt.
Anders dan ten aanzien van toeslagjaar 2009 heeft belanghebbende geen gegevens ingebracht die ook aannemelijk maken dat in 2010 kinderopvang heeft plaatsgevonden en dat belanghebbende de kosten van die opvang heeft gedragen. Het ontbreekt ten aanzien van het toeslagjaar 2010 daarom aan gegevens die erop zouden kunnen wijzen dat de door UHT genomen beslissing, dat belanghebbende evident geen recht op KOT had, niet juist is.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Schuldenoverzicht
Belanghebbende heeft een schuldenoverzicht ingebracht waarin drie schulden aan B/T zijn genoemd. Het betreft een schuld die in 2011 is ontstaan en twee schulden die in 2012 zijn ontstaan. Belanghebbende wenst dat de Commissie acht slaat op deze schulden omdat deze schulden ten onrechte door UHT niet zouden zijn meegenomen in de berekening van haar compensatie voor het toeslagjaar 2011 als gevolg waarvan deze compensatie te laag zou zijn vastgesteld.
Het compensatiestelsel is in de Wht vastgelegd alsmede de wijze waarop een compensatieberekening dient te worden opgesteld. Uit de toelichting van UHT tijdens de hoorzitting volgt dat bij de vaststelling van component a van de compensatieberekening reeds rekening is gehouden met de verrekening van vorderingen van B/T op belanghebbende met de aan haar toegekende KOT. Van de op het schuldenoverzicht opgenomen schulden van belanghebbende aan B/T is niet gebleken dat deze schulden met de aan belanghebbende KOT zijn verrekend. Daarom adviseert de Commissie adviseert UHT om het schuldenoverzicht dat belanghebbende heeft ingebracht en de daarin opgenomen schulden aan de Belastingdienst buiten beschouwing laten en de compensatieberekening voor het jaar 2011 op dit punt in stand te laten en dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Berekening immateriële schade en rentevergoeding
UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing ambtshalve vastgesteld dat in de bestreden beschikking de start- en einddatum voor de berekening van de
forfaitaire vergoeding voor immateriële schade (component n) ten aanzien van de jaren 2007 en 2011 niet juist waren en dat de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) voor het jaar 2007 eveneens onjuist is berekend. Daarom is UHT voornemens om bij de beslissing op bezwaar beide componenten aan te passen waarbij de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade wordt berekend doorloopt tot de datum van de dagtekening van de beschikking op bezwaar. De forfaitaire vergoeding van 1% over het subtotaal zal eveneens worden aangepast.
De Commissie adviseert UHT de compensatieberekening conform haar aanvullende schriftelijke beschouwing opnieuw vast te stellen.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:
- de vergoeding voor de immateriële schade (component n) opnieuw te berekenen en voor de einddatum uit te gaan van de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
- in de compensatieberekening met betrekking tot het toeslagjaar 2007 de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) aan te passen naar € 812;
- de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal; component p) aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van 2 procespunten met wegingsfactor 2 voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter