BAC 2022-10703
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 september 2022 met kenmerk UHT-DC IA
Hoorzitting: 13 december 2024 om 10:15 uur
Overdracht aan UHT: 11 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT
om het bezwaar tegen de beschikking van 12 september 2022 met kenmerk
UHT-DC-I A ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van
12 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht wordt de bestreden beschikking geacht te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 april 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2009. Na overleg met belanghebbende is het verzoek uitgebreid met de toeslagjaren 2010 en 2011.
- Op 4 augustus 2022 heeft de Commissie van Wijzen geoordeeld dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 12 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A definitief de compensatie kinderopvangtoeslag over de jaren 2009, 2010 en 2011 afgewezen.
- Belanghebbende heeft bij brief van 22 oktober 2022, ingekomen op 26 oktober 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij beschikking van 12 september 2022 met kenmerk UHT-DH5 A aan belanghebbende meegedeeld dat aan haar geen compensatie wordt toegekend vanwege hardheid voor de jaren 2009, 2010 en 2011.
- Belanghebbende heeft geen bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van 12 september 2022 met kenmerk UHT-DH5 A.
- UHT heeft bij beschouwing, gedateerd 24 juni 2024, schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 af te wijzen.
Belanghebbende is van mening dat zij in aanmerking dient te komen voor compensatie op grond van vooringenomenheid dan wel hardheid van het stelsel. Daartoe voert zij aan dat zij onterecht KOT heeft moeten terugbetalen, terwijl de KOT aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald. Dit terug te betalen bedrag bedraagt meer dan € 1.500 en dit wil belanghebbende vergoed zien. Daarnaast betwist belanghebbende dat zij de KOT zelf telefonisch heeft opgezegd.
UHT stelt zich op het standpunt dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat sprake is van vooringenomen handelen door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties die hebben plaatsgevonden in de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 waren gelegen in wijzigingen in het toetsingsinkomen en de stopzettingen van de KOT door belanghebbende. Dit betroffen daarom reguliere correcties.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
De terugvorderingen van de KOT over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel dan ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. Verder is er geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ten aanzien van de telefonische melding van stopzetting van de KOT per 18 mei 2010, waarvan belanghebbende ontkent deze te hebben gedaan, overweegt de Commissie dat belanghebbende haar persoonlijke gegevens heeft moeten verifiëren om de KOT te kunnen stopzetten. Daarmee heeft B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op KOT een dergelijke stopzetting kan doorgeven. Nu de telefonische melding van 27 januari 2011, ingaande per
18 mei 2010 met het SoFi-nummer van belanghebbende is geverifieerd, is de Commissie van mening dat het aannemelijk is dat belanghebbende zelf telefonisch de KOT heeft stopgezet. In het geval dat een ander namens belanghebbende de KOT heeft stopgezet, dan overweegt de Commissie dat het delen van persoonlijke inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Volgens belanghebbende is in de jaren 2009, 2010 en 2011 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan € 1.500 van belanghebbende zijn teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.
Wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is niet voldoende dat bij de ouder minimaal € 1.500 is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat minimaal € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en dat dit bedrag niet ten goede is gekomen aan de ouder.
De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.
Toepassing gevend aan deze praktijk volgt de Commissie UHT in het standpunt dat in dit geval geen aanspraak bestaat op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening van de KOT voor de jaren 2009, 2010 en 2011 ter zitting nader toegelicht. Voor deze jaren is aannemelijk geworden dat het teveel uitgekeerde bedrag aan de kinderopvanginstelling ten goede kwam en niet aan belanghebbende, maar dat dit bedrag lager was dan € 1.500 per toeslagjaar.
Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan het hiervoor omschreven door UHT gehanteerde drempelvereiste om voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel in aanmerking te komen.
De Commissie heeft in de stukken en in het verhandelde ter zitting ook geen aanleiding kunnen vinden om de opvatting te huldigen dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.
De Commissie adviseer UHT om het bezwaar ook op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoord, om het bezwaar gericht tegen de beschikking van
12 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter