Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10700

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 31 augustus 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 24 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert de bezwaren tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DH5 A en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren en deze bestreden beschikkingen in stand te laten. De Commissie adviseert om de bezwaren tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DC-I A deels gegrond te verklaren en aan belanghebbende ter zake van dat bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) bij beschikking van 31 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC I compensatie toegekend voor een bedrag van € 67.993,- voor de jaren 2009, 2011 en de periode januari tot en met juni 2012. Bij beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A is aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010 en 2013, en de periode juli tot en met december 2012, en dat zij over die jaren ook geen recht heeft op compensatie. Tot slot is bij beschikking met kenmerk UHT-O OGS B voor de periode juli tot en met december 2012 en het toeslagjaar 2013 een tegemoet-koming wegens onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) vastgesteld.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden

beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 en 2013. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende uitgebreid met de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij op grond van de Catshuisregeling in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2010 en 2013, en de periode juli tot en met december 2012 geen sprake is geweest van institutionele voorin-genomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • Bij beschikking van 31 augustus 2022 (met kenmerk UHT-DC-I A) is aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2010, de periode juli tot en met december 2012 en 2013.
  • Bij beschikking van 31 augustus 2022 (met kenmerk UHT-DH5 A) is aan belang-hebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hardheid.
  • Voor de toeslagjaren 2010, de periode juli tot en met december 2012 en 2013.
  • Bij beschikking van 31 augustus 2022 (met kenmerk UHT-DC I) is aan belang-hebbende over de toeslagjaren 2009, 2011 en de periode januari tot en met juni 2012 een definitieve compensatie van € 67.993 toegekend. Omdat belang-hebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, heeft er een nabetaling van € 37.993 plaatsgevonden.
  • Bij beschikking van 31 augustus 2022 (met kenmerk UHT-O OGS B) is aan belanghebbende medegedeeld dat ten onrechte O/GS is vastgesteld over de periode juli tot en met december 2012 en het toeslagjaar 2013 en is belang-hebbende een bedrag van € 8.112 toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 oktober 2022 tegen de beschikkingen van
    31 augustus 2022 met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en
    UHT-O OGS B een pro forma bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 maart 2023 de gronden van het bezwaar-schrift aangevuld.
  • UHT heeft op 1 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 24 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 12 mei 2025 heeft UHT aanvullende informatie aangeleverd. Gemachtigde heeft hier niet op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikkingen van 31 augustus 2022 ontbreken en onvoldoende blijkt wat de onderliggende argumenten zijn om deze beschikking te ondersteunen. Derhalve zijn de bestreden beschikkingen onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.

Aan de hand van de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, kunnen deze gebreken in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt niet tot het herroepen daarvan.

De toeslagjaren 2010 en 2013
Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de jaren 2010 en 2013.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2010 sprake is

geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2010 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Zo is de definitieve berekening KOT over dit toeslagjaar vastgesteld conform de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Wat betreft het toeslagjaar 2013, stelt belanghebbende dat zij de brief van 10 juli 2013, waarin aanvullende informatie wordt gevraagd vanuit de B/T, niet heeft ontvangen. Ook heeft zij de brieven van 23 september 2013 en 21 november 2013 niet ontvangen. Uit het bezwaardossier blijkt dat deze brieven zijn verstuurd naar een adres in Almere, terwijl belanghebbende op 26 maart 2013 heeft gemeld bij B/T dat zij is verhuisd naar een adres in Purmerend. De brieven zijn dus naar het oude woonadres van belanghebbende verstuurd. UHT stelt ter zitting dat het adres dat staat opgegeven in het Basisregistratie Personen (hierna: BRP) leidend is voor B/T. In het BRP stond kennelijk het adres van de woning in Almere nog vermeld. UHT heeft in de aanvullende schriftelijke beschouwing echter erkend dat de brieven gestuurd hadden moeten worden naar het adres dat belanghebbende heeft doorgegeven aan B/T. In een dergelijk geval moet uitgegaan worden van het opgegeven adres en niet BRP. Dit heeft tot gevolg dat UHT erkent dat belang-hebbende over het toeslagjaar 2013 wel recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid, zoals belanghebbende in bezwaar heeft aangevoerd.
Het desbetreffende bezwaar is dus gegrond.

Het toeslagjaar 2012 (juli-december)
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in het jaar 2012, nu in dat jaar geen sprake was van werk of doelgroeperschap.

Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar 2012 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS
Volgens belanghebbende dient zij in aanmerking te komen voor een tegemoet-koming O/GS, omdat zij de B/T heeft verzocht om haar schuld in delen te mogen betalen of om aan de schuldsanering mee te werken, en dit door de B/T is geweigerd. Uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende over de toeslagjaren 2012 en 2013 een tegemoetkoming O/GS heeft ontvangen.

Op grond van artikel 2.6 lid 2 Wht bedraagt de O/GS-tegemoetkoming 30% van het bedrag van de terugvordering. Dit betekent dat de tegemoetkoming van
€ 8.112 door UHT juist is berekend. Nu de tegemoetkoming reeds is toegekend en uitbetaald, kan het bezwaar bovendien niet tot een ander of gunstiger resultaat leiden. Deze bezwaargrond acht de Commissie daarom ongegrond.

Vergoeding voor werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan het in de definitieve compensatiebeschikking toegekende bedrag. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bestemd waarbij de Commissie Werkelijke Schade advies uitbrengt. Belanghebbende kan apart een verzoek indienen voor vergoeding van deze schade.

Rentevergoeding gemiste KOT (component o)
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing vastgesteld dat bij de berekening van de rentevergoeding gemiste KOT voor het toeslagjaar 2009 is uitgegaan van een verkeerde start- en einddatum. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat het hanteren van een verkeerde start- en einddatum noopt tot aanpassing van het bestreden besluit, waarbij de Commissie ervan uitgaat dat de positie van belanghebbende hier niet slechter van wordt. Derhalve adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.

De Commissie ziet in hetgeen in geding is gebracht geen aanleiding voor een andere conclusie en adviseert UHT de compensatieberekening overeenkomstig het gestelde in de schriftelijke beschouwing aan te passen. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

Daar het bezwaar gezien het voorgaande deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT, zoals ook door UHT wordt aangegeven in de schriftelijke beschouwing, om de vergoeding voor immateriële schade (component n) te berekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en ook de compensatie onder p aan te passen (1 procent).

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende verzoekt om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien de bezwaren naar het oordeel van de Commissie deels gegrond zijn, adviseert de Commissie belanghebbende om proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • de bezwaren gericht tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DH5 A en UHT-OGS B ongegrond te verklaren;
  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DC-I A gegrond te verklaren in die zin dat:
    • over het toeslagjaar 2013 compensatie wegens vooringenomenheid wordt toegekend;
  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DC I gegrond te verklaren in die zin dat:
    • de rentevergoeding gemiste KOT over het toeslagjaar 2009 opnieuw berekend zal worden vanaf de juiste ingangsdatum tot en met de juiste einddatum;
    • de vergoeding voor immateriële schade berekend zal worden tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van het compensatiebedrag (component p) aangepast zal worden;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter