Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10685

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 november 2022 (UHT-O OGS B) en 7 december 2022 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 23 april 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 18 november en 7 december 2022.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) bij de bestreden beschikking van 7 december 2022 geen aanvullende compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013. Voorts is bij de betreden beschikking van 18 november 2022 een tegemoetkoming van €1.139,- toegekend wegens een onterechte O/GS-kwalificatie over het jaar 2009. Omdat aan belanghebbende eerder een bedrag van € 30.000,- is uitbetaald (“Catshuisregeling”), volgt geen nabetaling.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar en gemachtigde heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2009 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,- (de “Catshuisregeling”). Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 18 november 2022 een tegemoetkoming van €1.139,- toegekend wegens een onterechte O/GS-kwalificatie over het jaar 2009. Omdat aan belanghebbende eerder een bedrag van € 30.000,- is uitbetaald (de “Catshuisregeling”), volgt geen nabetaling.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 november 2022 (ingekomen op diezelfde dag) tegen de beschikking van 18 november 2022 een bezwaarschrift ingediend en bij brief van 29 november 2022 de bezwaargronden aangevuld.
  • Gemachtigde heeft voorts bij brief van 13 december 2022 tegen de beschikking van 7 december 2022 een bezwaarschrift ingediend en bij brief van 13 december 2022 de bezwaargronden aangevuld.
  • UHT heeft op 5 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij brief van 18 maart 2025 heeft gemachtigde de bezwaargronden verder aangevuld.
  • UHT heeft op 18 april 2025 schriftelijk gereageerd op deze aanvullende gronden.
  • Op 23 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om een aanvullende compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 tot en met 2013 af te wijzen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzagerecht in zijn dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het bezwaardossier en de bijbehorende producties zijn op 13 maart 2025 aan gemachtigde gezonden. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende daarmee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Geen vooraankondiging

Belanghebbende voert verder aan dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen. Zij vindt dat het besluit om die reden onzorgvuldig is voorbereid. De Commissie overweegt dat het niet de aangewezen gang van zaken is om geen vooraankondiging te sturen. Belanghebbende heeft in het kader van de bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. De tekortkoming is daarmee hersteld.

Afgewezen jaren

Belanghebbende kan zich niet vinden in het standpunt van UHT dat zij geen recht heeft op compensatie over de jaren 2009 tot en met 2013.

De Commissie overweegt als volgt.

Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.

In het informatie- en beoordelingsformulier (productie 4 bezwaardossier) is voor alle betrokken jaren uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden.

Voor toeslagjaar 2009 stelt de Commissie vast dat de nihilstelling van de KOT in de voorschotbeschikking van 21 april 2011 het gevolg is geweest van het antwoordformulier dat B/T van belanghebbende ontving. In het betreffende formulier (productie 18 bezwaardossier), gedateerd op 16 september 2010, is aangevinkt dat belanghebbende in 2009 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. De plaats van ondertekening is Den Haag en er is een mobiel telefoonnummer ingevuld. Op de achterzijde van het formulier is bij het totaalbedrag opvangkosten 2009 een ‘0’ ingevuld en er staat handgeschreven de tekst “ik had 2010 kinderopvang”.

Belanghebbende heeft in het ouderverhaal verklaard dat haar zoon in 2009 naar de opvang ging. Hij is geboren in januari 2009 en volgens belanghebbende is hij na 8/9 maanden naar de opvang gegaan. Dat moet, zo vermoedt de Commissie, dan zijn geweest in september/oktober 2009. Die verklaring strookt niet met de inhoud van het hiervoor genoemde antwoordformulier. De Commissie meent evenwel dat, nu het formulier expliciet is ingevuld en ondertekend en belanghebbende enkel heeft verklaard (bij monde van haar gemachtigde) dat zij zich dat formulier niet meer kan herinneren omdat het enige tijd geleden is, B/T mocht uitgaan van de informatie zoals is ingevuld op het antwoordformulier. Nu ook geen bewijsstukken voorhanden zijn waaruit blijkt dat opvang is afgenomen in 2009 is er geen aanleiding te twijfelen aan het door belanghebbende destijds ingevulde antwoordformulier.

De Commissie ziet geen aanknopingspunten dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2009 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.

Over toeslagjaar 2012 stelt de Commissie vast dat de KOT is bijgesteld vanwege een wijziging in het aantal opvanguren (aanvankelijk 91 uren, op grond van de kinderopvanginstelling, aangepast naar 76 uren per maand, productie 57 en 58).

Belanghebbende meent dat omdat B/T deze bijstelling heeft doorgevoerd zonder uitvraag te doen bij belanghebbende, sprake is van vooringenomen handelen. Het dossier bevat geen concrete aanknopingspunten die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens. Belanghebbende heeft in deze bezwaarprocedure niet gesteld of bewijsstukken naar voren gebracht waaruit blijkt dat de gegevens die door de kinderopvanginstelling in de KOI-viewer zijn opgenomen, niet juist waren. Het is de Commissie derhalve niet gebleken van een onterechte verlaging van de KOT. Dat de bij de kinderopvanginstelling ingewonnen informatie niet bij belanghebbende is geverifieerd doet hier niet aan af. B/T mocht in de gegeven omstandigheden van deze informatie uitgaan. De Commissie is van mening dat deze manier van handelen door B/T -anders dan dat gemachtigde stelt- niet kan worden opgevat als vooringenomen handelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit bezwaar ongegrond te verklaren.

Over toeslagjaar 2013 stelt de Commissie vast dat de stopzetting van de KOT door belanghebbende met ingang van 31 januari 2013 niet wordt betwist. Dat de KOT om die reden is bijgesteld, moet dan ook worden gekwalificeerd als een reguliere bijstelling.

Verder is niet in discussie dat belanghebbende opnieuw KOT heeft aangevraagd op 10 maart 2014. De voorschotbeschikking waarin de KOT wordt toegekend volgt op 13 maart 2015. Volgens belanghebbende heeft zij onnodig lang moeten wachten voordat B/T heeft beslist op haar aanvraag. Dat is een vooringenomen handeling en belanghebbende meent dat zij daarom gecompenseerd moet worden.

UHT heeft in de aanvullende schriftelijke beschouwing op dit standpunt gereageerd. Belanghebbende vroeg KOT aan op 10 maart 2014 met ingang van 1 juni 2013. Het systeem van B/T heeft deze aanvraag (zijnde een aanvraag met terugwerkende kracht) gekenmerkt als een te late aanvraag, waardoor deze uitviel. Gelet hierop kan de Commissie UHT volgen in haar standpunt dat over toeslagjaar 2013 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter