BAC 2022-10659
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 december 2022 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 20 augustus 2024 om 15:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 6 september 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over toeslagjaar 2010. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is in de beoordeling ook toeslagjaar 2011 betrokken.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat voor toeslagjaar 2010 voor de maanden januari tot en met juli sprake is van institutionele vooringenomenheid en voor de maanden augustus tot en met februari 2011 de hardheidsregeling van toepassing is. Voor de maanden maart tot en met december 2011 is er geen sprake van institutionele vooringenomenheid dan wel hardheid.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000.
- UHT heeft met de bestreden beschikking van 9 december 2022 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende medegedeeld dat over de maanden januari tot en met juli van 2010 sprake geweest is van vooringenomenheid. Over de maanden augustus 2010 tot en met februari 2011 is de hardheidsregeling van toepassing. De compensatieregeling is niet van toepassing voor de maanden maart tot en met december 2011. De hoogte van het compensatiebedrag bedraagt € 28.948 zodat belanghebbende binnen het kader van de forfaitaire compensatieregeling definitief gecompenseerd wordt met een bedrag van €30.000.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2022, ingekomen op 7 december 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op 15 mei 2023 heeft gemachtigde de gronden van het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 3 november 2023 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Op 20 augustus 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft op de hoorzitting een aanvullende beschouwing met bijlagen aan de Commissie en gemachtigde verstrekt.
- Gemachtigde heeft op 26 augustus 2024 op de aanvullende beschouwing van UHT gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal eerst ingaan op het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel en het advies van de Commissie van Wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
De Commissie kan UHT volgen in haar standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. Met het indienen van de schriftelijke beschouwingen van 3 november 2023 en 15 augustus 2024 (met bijlagen) voorzien van het bezwaardossier is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Op 8 februari 2024 is de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier aan gemachtigde gezonden. Op 20 augustus 2024 is aan gemachtigde de aanvullende beschouwing tijdens de hoorzitting verstrekt.
Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Het advies van de Commissie van Wijzen
Belanghebbende meent dat de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar oordeel niet heeft gemotiveerd waarom er geen sprake geweest is van vooringenomen handelen voor toeslagjaar 2010.
De Commissie stelt vast dat compensatie achterwege is gebleven ten aanzien van de maanden maart tot en met december 2011. De CvW heeft in haar oordeel van 1 juli 2022 gemotiveerd waarom compensatie over deze periode niet aan de orde is. Dit is dan ook de reden dat de beoordeling van UHT aan de CvW is voorgelegd. In aansluiting hierop is de CvW van oordeel dat belanghebbende voor toeslagjaar 2010 volledig gecompenseerd dient te worden en maakt daarin een onderscheid voor de maanden januari tot en met juli en augustus tot en met december. Over de maanden januari tot en met juli is belanghebbende vooringenomen behandeld en voor de overige maanden van 2010 is de hardheidsregeling van toepassing. Voor de hoogte van de compensatie is het maken van het onderscheid niet van belang. Dat de CvW een verdere inhoudelijke onderbouwing achterwege heeft gelaten acht de Commissie dan ook begrijpelijk.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing van 3 november 2023 gemotiveerd dat belanghebbende vanaf 1 augustus 2010 evident geen recht heeft op KOT omdat niet langer meer gebruik is gemaakt van kinderopvang. Ondanks dat belanghebbende vanaf deze datum geen recht heeft op KOT is de hardheidsregeling van toepassing omdat de KOT aan de kinderopvang is betaald. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft de KOT vervolgens wel van belanghebbende teruggevorderd. UHT meent daarom dat belanghebbende in aanmerking komt voor de hardheidstegemoetkoming. De Commissie kan zich met deze zienswijze verenigen.
Alles overziend meent de Commissie dat UHT zich mocht baseren op het advies van de CvW nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het onderzoek dat aan het advies ten grondslag ligt op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De redenering van de CvW is begrijpelijk en de getrokken conclusies sluiten daarop aan op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht. De bezwaargrond treft geen doel.
De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2010 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend. UHT heeft naar aanleiding van het ingestelde bezwaarschrift de compensatieberekening nogmaals kritisch tegen het licht gehouden en vastgesteld dat een aantal componenten van de berekening onjuist zijn. Het gaat daarbij om de volgende componenten:
- KOT die u niet hebt terugbetaald of niet verrekend is voor toeslagjaar 2010
- KOT vóór het onderzoek betreffende toeslagjaar 2011
- De rentevergoeding voor gemiste KOT
- Vergoeding voor de immateriële schade
KOT die u niet hebt terugbetaald of niet verrekend is voor toeslagjaar 2010
UHT heeft naar aanleiding van eerdere vragen van gemachtigde in de aanvullende beschouwing van 15 augustus 2024 een nadere toelichting gegeven. Zo is het gemachtigde niet duidelijk waarom in het LIC-overzicht en in de compensatieberekening met betrekking tot component g is uitgegaan van € 2.673. Belanghebbende heeft op 31 december 2014 een mededeling van B/T ontvangen waarin het openstaande bedrag nog € 2.472,28 bedroeg. Gemachtigde heeft UHT gevraagd om een toelichting te geven op de twee verschillende bedragen.
De Commissie meent dat UHT met de toelichting op de vraag van gemachtigde met de verwijzing naar het LIC-overzicht genoegzaam heeft gemotiveerd hoe aan het bedrag van € 2.673 is gekomen. Dit is het bedrag dat in mindering wordt gebracht op het compensatiebedrag en valt onder component g van de compensatieberekening. In het LIC-overzicht wordt het bedrag verwijderd in het kader van de Toeslagenaffaire.
Resumerend kan uit de toelichting van UHT wordt opgemaakt dat de openstaande vordering van € 2.472,28 op dat moment, d.d. 31 december 2014, juist was maar door het weer terugdraaien van eerdere verrekeningen weer is bijgesteld. Het bedrag is uiteindelijk bijgesteld naar € 2.673.
De Commissie ziet gelet op de gegeven toelichting in combinatie met het LIC-overzicht geen aanleiding om aanvullende stukken (teruggedraaide verrekeningen en mededelingen) van UHT te verlangen. Daarbij heeft de Commissie overwogen dat in beginsel van de gegevens uit LIC-overzichten moet worden uitgegaan, tenzij een belanghebbende stukken overlegt die aanleiding geven hieraan te twijfelen. Dit laatste is hier niet aan de orde. Deze bezwaargrond treft geen doel.
KOT vóór het onderzoek betreffende toeslagjaar 2011
De Commissie kan zich verenigen met het ingenomen standpunt van UHT dat de KOT voor het onderzoek over 2011 onjuist is vastgesteld. Uitgaande van de beschikking van 10 februari 2011 dient het bedrag vastgesteld te worden op €13.016. Voor de maanden januari en februari 2011 wordt component a dan €2.170. Deze bezwaargrond treft doel.
De rentevergoeding voor gemiste KOT
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing van 3 november 2023, en de bijlage compensatieberekening, vastgesteld dat de rentevergoeding voor gemiste KOT in de bestreden beschikking niet juist is berekend.
De Commissie kan zich verenigen met het ingenomen standpunt van UHT dat uitgaande van 1 juli 2011 als startdatum voor de rentevergoeding voor gemiste KOT de hoogte van deze vergoeding over toeslagjaar 2010 onjuist is berekend. Het juiste bedrag dient in plaats van € 3.814 aangepast te worden naar € 3.894.
De rentevergoeding voor gemiste KOT over toeslagjaar 2011 dient door UHT opnieuw berekend te worden vanaf 1 juli 2012.
Vergoeding voor de immateriële schade
Wat betreft de ingangsdatum van de vergoeding voor de immateriële schade overweegt de Commissie dat deze op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht dient te worden gesteld op de dagtekening van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) vooringenomen handelen van B/T.
Uit de onderliggende stukken maakt de Commissie op dat UHT gekozen heeft voor de startdatum 12 februari 2011 terwijl op 19 oktober 2011 de eerste nihil beschikking werd afgegeven. Er is dan ook, uitgaande van het wettelijk kader, uitgegaan van een onjuiste startdatum. De Commissie ziet echter geen aanleiding om deze startdatum ten nadele van belanghebbende toe te passen. Aangezien sprake is van een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend voorts door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Door aanpassing van de diverse componenten heeft gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.
De Commissie gaar hier nog in op de volgende twee onderwerpen van de compensatieberekening, te weten:
- de verzuimboete en
- vergoeding voor juridische hulp
De verzuimboete
De Commissie maakt uit het informatie- en beoordelingsformulier van UHT op dat er op 11 november 2014 een verzuimboete aan belanghebbende zou zijn opgelegd. Uit de onderliggende stukken blijkt dat echter niet. In de schriftelijke beschouwing met een verwijzing naar de email van 24 augustus 2022 heeft UHT overtuigend weerlegd dat over toeslagjaar 2010 aan belanghebbende een boete is opgelegd. De Commissie meent dan ook dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat belanghebbende hiervoor niet gecompenseerd dient te worden. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Vergoeding voor juridische hulp
De Commissie wijst erop dat op grond van artikel 2.3 lid 6 van de Wht een forfaitaire vergoeding wordt toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. De kosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij een wegingsfactor van twee wordt toegepast.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende tegen de nihil beschikking van 6 december 2011 (dat gaat over toeslagjaar 2010) op 16 januari 2012 een bezwaarschrift heeft ingediend. Met de beslissing op bezwaar van 26 januari 2012 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft geen beroep aangetekend. Tegen de nihil beschikking van 26 februari 2011 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is op 2 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Ook tegen deze beslissing op bezwaar heeft belanghebbende geen beroep ingesteld.
De Commissie merkt hierover op dat belanghebbende in het kader van deze twee bezwaarprocedures geen gebruik heeft gemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Belanghebbende komt dan ook niet in aanmerking voor compensatie van de vergoeding voor juridische hulp. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Gelet op het voorgaande meent de Commissie dat het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking van 9 december 2022, met het kenmerk UHT-DCH, gedeeltelijk gegrond verklaard dient te worden.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie (deels) gegrond is, en de Commissie adviseert tot herroeping van het bestreden besluit, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en bijwonen van de hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen (wegingsfactor twee).
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- Het bezwaar tegen de beschikking van 9 december 2022 gedeeltelijk gegrond te verklaren ten aanzien van de berekening van de rente voor gemiste KOT over de toeslagjaar 2010 aan te passen naar € 3.894. Component a van toeslagjaar 2011 aan te passen naar € 2.170 en alle daarmee verband houdende componenten aan te passen. De einddatum van de vergoeding voor de immateriële schade te laten doorlopen tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal opnieuw te berekenen;
- De proceskosten voor deze procedure te vergoeden op basis van twee procespunten met een wegingsfactor twee en daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter