Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10586

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 februari 2022 (UHT-DHR)

Hoorzitting: 16 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 2 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bestreden beschikking op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.521,- voor de jaren 2009 tot en met 2013.

Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2014. Met instemming van belanghebbende heeft UHT de jaren 2009 tot en met 2013 opnieuw beoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, in het kader van de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij de besluiten met kenmerk UHT-DC I en UHT-DHR aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.521,-voor de jaren 2009 tot en met 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 april 2022, tegen het besluit met kenmerk UHT-DHR een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 december 2024, het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 22 april 2025 (met een ‘beschouwing’) schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend, met daarbij een herbeoordeling van de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 en 2014 tot en met 2019. Gemachtigde heeft op 21 april 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2013 op de juiste wijze heeft berekend.

UHT heeft in bezwaar – op verzoek van belanghebbende - in een aanvullende beschouwing ook de jaren 2005 tot en met 2008 integraal beoordeeld en ambtshalve de jaren 2014 tot en met 2019. Over de integrale beoordeling van de jaren 2005 tot en met 2008 en de jaren 2014 tot en met 2019 wordt hieronder door de Commissie ook advies uitgebracht.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende verzoekt om, een compleet beeld te kunnen hebben van de zaak, het complete dossier inclusief betaal- en verrekenoverzichten te ontvangen. Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Op 10 december 2025 zijn aan gemachtigde producties toegezonden die van belang zijn voor deze zaak. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van die stukken en ruim gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat er nog stukken in het dossier ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. De Commissie overweegt dat, voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gebrekkig is gemotiveerd, die gebreken zijn hersteld in de beschouwing van UHT. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV-lijst

Belanghebbende wil weten waarom zij in 2012 op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV-lijst) is geplaatst. De Commissie heeft er begrip voor dat de vermelding op de FSV-lijst belastend voor belanghebbende is. De Commissie kan uit het dossier echter niet afleiden wat de reden is geweest van haar opname in de FSV. In het kader van haar taak in de hersteloperatie kan de Commissie in het geval van onbegrijpelijke handelingen van B/T ten nadele van belanghebbende, de FSV-registratie als verklarende factor gebruiken. De Commissie heeft echter geen aanwijzingen gevonden voor zulke handelingen. De wijzigingen van het recht op KOT waren het gevolg van door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen van opvanggegevens en wijziging van het toetsingsinkomen. De omstandigheid dat belanghebbende is opgenomen in de FSV betekent op zichzelf niet dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS)

Belanghebbende stelt dat, voor de jaren 2005 tot en met 2013, de O/GS voor huurtoeslag, kindgebonden budget en de zorgtoeslag ook bij de herbeoordeling van de KOT moet worden betrokken. Er is behalve voor de KOT alleen een O/GS‑kwalificatie voor het kindgebonden budget in 2014, 2015 en 2017. De O/GS‑kwalificaties voor het kindgebonden budget in 2014, 2015 en 2017 worden beoordeeld binnen de inmiddels geldende regeling huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget (hierna: hzk-regeling). De hzk-regeling valt niet binnen de reikwijdte van deze procedure. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2005 en 2006

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat B/T in de jaren 2005 en 2006 vooringenomen heeft gehandeld of het systeem te hard heeft uitgewerkt jegens belanghebbende. Evenmin heeft de Commissie aanwijzingen gevonden dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat het aan haar opzet of grove schuld te wijten was dat zij ten onrechte te veel KOT had ontvangen. De Commissie adviseert aan UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007

De KOT is voor toeslagjaar 2007 aangepast naar aanleiding van informatie van de kinderopvanginstelling. De KOT is echter zonder uitvraag verlaagd. UHT stelt zich op het standpunt dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie is van oordeel dat dit juist is. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2007 een compensatie als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wht toe te kennen en dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2008

De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2008 twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging hield verband met het door belanghebbende per 1 maart 2008 stopzetten van de KOT. De tweede verlaging van de KOT was het gevolg van een verlaging van de kosten voor kinderopvang van belanghebbende en een wijziging van het gezamenlijk toetsingsinkomen. De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen dat B/T bij deze verlagingen van de KOT onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. In dit toeslagjaar heeft een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar er was geen sprake van een kleine formele tekortkoming, het slechts betalen van een deel van de opvangkosten, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden. Evenmin heeft de Commissie aanwijzingen gevonden dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat het aan haar opzet of grove schuld te wijten was dat zij ten onrechte te veel KOT had ontvangen. Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De Commissie is van oordeel dat uit het XML-bestand dat hoort bij de stopzetting volgt dat belanghebbende of iemand namens haar op 8 januari 2008, met gebruikmaking van haar DiGid, de KOT per 1 maart 2008 heeft stopgezet (zie: XML-bestand, productie 1208003 in de aanvullende beschouwing). B/T mocht uitgaan van de melding die door of namens belanghebbende werd gedaan om de KOT stop te zetten. De Commissie ziet in de gang van zaken geen aanknopingspunten voor vooringenomen handelen. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Gemachtigde stelt dat de tweede verlaging van de KOT van € 15.979 naar € 13.356 gebaseerd is op onleesbare jaaropgaven. De inhoud van de jaaropgaven heeft B/T telefonisch geverifieerd, zonder belanghebbende gelegenheid te geven daarop te reageren. De Commissie is van opvatting dat B/T niet vooringenomen heeft gehandeld door uit te gaan van door het gastouderbureau verstrekte en bij hem geverifieerde opvanggegevens. B/T behoefde belanghebbende ook niet de gelegenheid te geven op de verstrekte gegevens te reageren. Gemachtigde heeft niet gesteld dat bepaalde opvanggegevens niet juist zouden zijn. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende voert aan dat toeslagjaar 2013 ten onrechte niet volledig gecompenseerd is. De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2013 twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging hield verband met het door belanghebbende per 1 februari 2013 stopzetten van de KOT. De tweede verlaging van de KOT was het gevolg van een wijziging in het gezamenlijk toetsingsinkomen van belanghebbende en haar toeslagpartner.

Gemachtigde stelt dat een XML-bestand met een verwijzing naar brontype 07 onvoldoende bewijs is dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet. De Commissie constateert dat uit het XML-bestand, dat hoort bij deze stopzetting, volgt dat de KOT per 1 februari 2013 werd stopgezet door belanghebbende zelf of iemand namens haar (productie 2700114 in de aanvullende beschouwing). B/T mocht de KOT stopzetten naar aanleiding van deze melding. Voor de stelling van gemachtigde dat de stopzetting niet door belanghebbende zelf is doorgegeven maar mogelijk door B/T is gedaan, vindt de Commissie geen aanknopingspunt. Ook verder ziet de Commissie in de gang van zaken geen aanknopingspunt voor vooringenomen handelen van B/T. Er bestaat geen aanleiding om bij UHT gegevens uit het SOAP en Heidi-systeem op te vragen.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

In dit toeslagjaar heeft een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden. De KOT is rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, maar belanghebbende moest het teruggevorderde bedrag terugbetalen. Er is daarom, in verband met de tweede verlaging van de KOT, recht op compensatie op grond van de hardheidsregeling. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren, want de toegekende hardheidscompensatie is correct berekend in het bestreden besluit.

Aangezien de Commissie verder geen aanwijzingen heeft gevonden dat B/T bij de verlagingen van de KOT onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld, adviseert zij UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2014 tot en met 2017

Voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2017 is geen KOT aan belanghebbende toegekend en teruggevorderd. Ook heeft zij voor die jaren geen KOT aangevraagd. Belanghebbende komt daarom voor de jaren 2014 tot en met 2017 niet in aanmerking voor compensatie. Ook is er geen aanleiding voor het toekennen van een tegemoetkoming wegens O/GS. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2018

De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2018 één verlaging van de KOT heeft plaatsgevonden, die het gevolg was van een wijziging in het gezamenlijk toetsingsinkomen. De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen dat B/T bij deze verlaging van de KOT vooringenomen heeft gehandeld. In dit toeslagjaar heeft geen terugvordering of verlaging van € 1.500 of meer plaatsgevonden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. De Commissie ziet geen aanleiding voor het toekennen van een tegemoetkoming voor O/GS. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2019

De KOT is voor toeslagjaar 2019 automatisch gecontinueerd. De aldus toegekende KOT is niet gewijzigd. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2009 tot en met 2013 (componenten n, o en p)

Voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 heeft UHT erkend dat de vergoeding voor immateriële schade (component n), de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) en de aanvullende vergoeding van 1% (component p) onjuist zijn berekend. De Commissie adviseert UHT deze componenten te corrigeren in de beslissing op bezwaar.

Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

Proceskosten

Omdat de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert zij tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • aan belanghebbende voor het jaar 2007 alsnog compensatie toe te kennen;
  • de compensatieberekening over de jaren 2009 tot en met 2013 aan te passen conform de bijlage compensatieberekening bij de schriftelijke beschouwing van 22 april 2025;
  • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag (component p) aan te passen;
  • het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een proceskostenvergoeding voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter