Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10516

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 september 2022 (UHT-DC-I A)

Hoorzitting: 7 november 2024

Overdracht advies aan UHT: 9 januari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en 2007.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 november 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2011. In overleg met belanghebbende zijn de te beoordelen jaren beperkt tot de toeslagjaren 2005 tot en met 2007.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 9 september 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2007.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 september 2022, ingekomen op 19 september 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 maart 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 17 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 oktober 2024 gereageerd op de beschouwing van UHT.
  • Op 7 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft op 9 december 2024 per e-mail medegedeeld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een schikkingsvoorstel.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

In het bezwaar heeft belanghebbende gesteld dat zij het niet eens is met de afwijzing van haar verzoek om toekenning van compensatie voor de toeslagjaren 2006 en 2007. Belanghebbende stelt dat zij over beide jaren een aanzienlijk bedrag aan KOT heeft moeten terugbetalen. Dat is volgens haar onterecht geweest, aangezien zij in die jaren daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van kinderopvang.

Zorgvuldigheids-en motiveringsgebrek

Belanghebbende stelt dat de beschikking niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties alsnog voldoende heeft onderbouwd. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2006

UHT heeft toegelicht dat de neerwaartse bijstelling en de nihil-stelling zijn gebaseerd op de daadwerkelijk genoten opvanguren. In 2006 werden de opvanguren niet voor het hele jaar, maar alleen voor de maanden augustus tot en met december opgevoerd. De gebruikte informatie is afkomstig uit het antwoordformulier dat belanghebbende op 13 juli 2007 heeft ingediend. Belanghebbende ging ervan uit dat, zoals in voorgaande jaren, de KOI de benodigde documenten zou aanleveren. Daarom heeft zij alleen de gegevens voor de laatste zes maanden naar B/T gestuurd. Verder heeft belanghebbende bij een brand in haar huis eind 2005 een groot deel van haar administratie verloren.

Naar het oordeel van de Commissie is het besluit van B/T om tot terugvordering van over 2006 ontvangen KOT gebaseerd op een regelmatige bijstelling van genoten uren kinderopvang overeenkomstig de opgave van belanghebbende. Dat betekent dat geen sprake is van vooringenomenheid. Evenmin ziet de Commissie feiten of omstandigheden, die aanleiding geven om hardheid van het stelsel aan te nemen. De beslissing van UHT om geen compensatie over 2006 toe te kennen kan dan ook in stand blijven. De Commissie adviseert om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007

Ten aanzien van het toeslagjaar 2007 is de neerwaartse correctie en nihil-stelling gebaseerd op een stopzetting van de KOT door belanghebbende op 8 maart 2007 met ingang van 1 april 2007. De uiteindelijke nihil-stelling is gebaseerd op een wijziging die belanghebbende zelf heeft doorgevoerd op 16 november 2008 via een antwoordformulier waarin zij heeft verklaard dat in 2007 helemaal geen opvang is genoten. Belanghebbende betwist echter dat zij de stopzettingsbrief die zich in het dossier bevindt heeft geschreven en stelt dat de handtekening niet van haar is. Zij heeft daarbij erop gewezen dat zij gedurende het gehele jaar 2007 werkzaam is geweest bij een zorginstelling in Delft en dat dit zonder kinderopvang niet mogelijk zou zijn geweest. Ter onderbouwing van deze stelling heeft gemachtigde een werkgeversverklaring en een brief van een oud-collega in het geding gebracht.

De Commissie vindt dat B/T in beginsel mocht vertrouwen op de juistheid van de door belanghebbende verstrekte gegevens. De Commissie constateert echter dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie. Zij acht het onaannemelijk, dat belanghebbende destijds zelf het aantal uren heeft doorgegeven aan B/T en een briefje zou hebben geschreven dat zij geen opvang heeft genoten in het toeslagjaar 2007. Daarbij is van belang dat de handtekening op de desbetreffende documenten, zo heeft de Commissie geconstateerd, afwijkt van de handtekening van belanghebbende op andere stukken.

Ook dat geeft aanleiding voor gerede twijfel of belanghebbende deze informatie wel zelf heeft doorgegeven en de bewuste brief heeft verzonden en daarmee ook of de gegevens, waar het hier om gaat, juist zijn. Dat geldt te meer nu belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende het gehele jaar 2007 werkzaam is geweest bij een zorginstelling in Delft en dat zij om die reden in die periode niet zonder kinderopvang kon. Gelet op deze feiten en omstandigheden had B/T niet zonder meer van de juistheid van de aangeleverde gegevens uit mogen uitgaan zonder daarover eerst bij belanghebbende navraag te doen. De Commissie is dan ook van oordeel dat moet worden aangenomen dat B/T, nu zij dat heeft nagelaten, vooringenomen heeft gehandeld en dat belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie. De Commissie adviseert UHT om, gelet op de feiten en omstandigheden in dit specifieke geval, dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en vervolgens met in achtneming van dit advies op het bezwaar te beslissen.

Vergoeding proceskosten

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand conform het voorstel van UHT in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikking van 9 september 2022, met kenmerk UHT-DC I A, deels gegrond te verklaren;
  • en om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen op basis van twee punten tegen het hoogste tarief.
  • en het bestreden besluit te herroepen met betrekking tot het toeslagjaar 2007, belanghebbende voor dat jaar als gedupeerde aan te merken en haar compensatie toe te kennen overeenkomstig het bepaalde in de Wht, alles met inachtneming van dit advies;

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter