BAC 2022-10510
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 september 2022 (UHT-DC I en UHT-DC-I A)
Hoorzitting: 29 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 8 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren gericht tegen de besluiten van 2 september 2022 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DC-I A gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen besluiten.
- De beschikking van 2 september 2022 met kenmerk UHT-DC I, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 12.594 aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling over het jaar 2012 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De beschikking van 2 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I A, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat B/T bij de beoordeling van de KOT geen fouten heeft gemaakt dan wel de regels te streng heeft toegepast.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Op 27 november 2020 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van de toeslagjaren 2012 tot en met 2014. Na het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar is beslist dat de herbeoordeling ziet op de jaren 2012 tot en met 2015.
- Bij beschikking van 30 april 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
- Op 27 mei 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2013, 2014 en 2015 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie.
- Bij beschikkingen van 2 september 2022 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor het jaar 2012 een definitief compensatiebedrag van
€ 12.594 krijgt toegekend. Voor de jaren 2013, 2014 en 2015 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie. - Op 19 september 2022 en 3 november 2022 heeft gemachtigde namens belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
- Op 29 november 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende aanvullende gronden ingediend.
- Op 29 oktober 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 29 april 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 20 mei 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende beschouwing ingediend. Op 9 juni 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming krijgt toegekend voor de jaren 2013, 2014 en 2015.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor het jaar 2012.
Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor het bovenstaande jaar op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen. Dit zal worden aangepast in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT aan haar toezegging in de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassing heeft tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
Voorts stelt UHT zich op het standpunt dat de immateriële schadevergoeding op een juist bedrag is vastgesteld. Daarbij stelt UHT in haar schriftelijke reactie dat de immateriële schadevergoeding niet hoger kan zijn dan het bedrag onder component e, het bedrag van de KOT dat niet is toegekend of is teruggevorderd. Dit houdt voor belanghebbende in dat de vergoeding voor de immateriële schade niet hoger kan zijn dan € 4.698. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT (artikel 2.3, lid 4 van de Wht) en ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Afgewezen toeslagjaren
De KOT is voor de jaren 2013 tot en met 2015 bijgesteld naar aanleiding van de door belanghebbende doorgegeven wijzigingen en aangeleverde informatie.
Met betrekking tot toeslagjaar 2013 heeft belanghebbende middels een antwoordformulier doorgegeven dat enkel haar vierde kind in dit jaar opvang genoot. Belanghebbende heeft bij dit antwoordformulier een jaaropgave gevoegd. In toeslagjaar 2014 heeft belanghebbende een aantal wijzingen in de perioden van opvang en het aantal opvanguren doorgevoerd. Dit in combinatie met een verhoging in het gezamenlijke toetsingsinkomen heeft geleid tot een aantal neerwaartse correcties van de KOT. In toeslagjaar 2015 heeft belanghebbende op
4 februari 2015 de KOT met ingang van diezelfde datum stopgezet.
Dit, in combinatie met een verhoging van het toetsingsinkomen, heeft geleid tot bijstellingen van de KOT.
De Commissie overweegt dat, gelet op het een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor bovenstaande toeslagjaren sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T. De terugvorderingen KOT over deze jaren zijn het gevolg van reguliere wijzigingen, als gevolg waarvan de voorschotten opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie overweegt hierbij dat voor het aannemen van een bijzondere omstandigheid, het volgens de vaste uitvoeringspraktijk zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT, niet voldoende is dat bij belanghebbende een bedrag van tenminste € 1.500 is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van tenminste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende.
De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor de jaren 2013 tot en met 2015 in haar nadere schriftelijke reactie van 20 mei 2025 toegelicht. Voor deze jaren is aannemelijk geworden dat het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan € 1.500. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel. De Commissie heeft in de stukken die volgen uit het bezwaardossier ook geen aanleiding gezien voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. De door belanghebbende op dit punt opgeworpen bezwaren treffen dan ook geen doel.
Ten aanzien van de stelling dat belanghebbende in aanmerking dient te komen voor een opzet/grove schuld (hierna O/GS) tegemoetkoming overweegt de Commissie als volgt. Hoewel uit het bezwaardossier niet volgt dat er sprake is van een O/GS kwalificatie dan wel dat het verzoek om een persoonlijke betalings-regeling is afgewezen, tonen de betaal-en verrekenoverzichten aan dat er in de jaren 2013 tot en met 2015 loonbeslag is gelegd. De Commissie acht onder deze omstandigheden de stelling van belanghebbende dan ook voldoende aannemelijk dat zij om een betalingsregeling heeft verzocht. De Commissie adviseert UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor de jaren 2013 tot en met 2015. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalings-regeling toegekend door B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie in dit geval niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoet-koming conform artikel 2.6 Wht voor de jaren 2013 tot en met 2015 moet toekennen.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DC-I A naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren gericht tegen de besluiten van 2 september 2022 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DC-I A gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter