BAC 2022-10337
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 10 augustus 2022 (UHT-DC IUHT DC I en UHT-DC-I A) en
23 augustus 2022 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 22 januari 2025
Overdracht aan UHT: 19 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, voor toeslagjaar 2013 alsnog voorin-genomenheid aan te nemen, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften van 19 september 2022 en 3 oktober 2022 zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (UHT-DC I en UHT-DC-I A) en definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (UHT-O OGS B).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.538,- voor toeslagjaar 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2018. Voor de jaren 2010, 2012 en 2013 is wel een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS-tegemoetkoming) toegekend van
€ 3.730,-. Deze bedragen zijn gezamenlijk aangevuld tot € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 telefonisch verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2012. In
overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2010 tot en met 2018
herbeoordeeld. - UHT heeft bij beschikking van 11 maart 2021 aan belanghebbende meegedeeld
dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- ingevolge de
Catshuisregeling. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 22 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015 tot en met
2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC-I A aan
belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met
2013 en 2015 tot en met 2018. - UHT heeft bij vooraankondiging van 20 juli 2022 aan belanghebbende een
compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.520,- voor toeslagjaar 2014. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 10 augustus 2022 met kenmerk UHTDC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 22.538 ,- voor toeslagjaar 2014. - UHT heeft bij de tevens bestreden beschikking van 23 augustus 2022 met
kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een tegemoetkoming van € 3.730,-
toegekend op grond van opzet/grove schuld (O/GS). - Gemachtigde heeft bij brief van 19 september 2022 tegen de beschikkingen met
kenmerk UHT-DC I en UHT-DC-I A een bezwaarschrift ingediend. - Gemachtigde heeft bij brief van 3 oktober 2022 tegen de beschikking met
kenmerk UHT-O-OGS B een bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 16 juli 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- De Commissie heeft op 21 oktober 2024 de op de zaak betrekking hebbende
stukken aan de gemachtigde toegestuurd en heeft op 30 oktober 2024 partijen
uitgenodigd voor een hoorzitting. - Gemachtigde heeft de bezwaarschriften bij brief van 21 januari 2025, ingekomen op 22 januari 2025, aangevuld.
- Op 22 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. - UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 februari 2025
een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop op
28 februari 2025 gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2018 en een O/GS-tegemoetkoming voor andere jaren dan 2010, 2012 en 2013 af te wijzen.
Toeslagjaren 2010 tot en met 2012 en 2015 tot en met 2018
Reguliere bijstellingen
Belanghebbende betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) haar over de
toeslagjaren 2010 tot en met 2012 en 2015 tot en met 2018 vooringenomen heeft
behandeld, waarvoor zij gecompenseerd dient te worden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2010 tot en met 2012 en 2015 sprake is geweest van institutioneel voorin-genomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over de voornoemde toeslagjaren was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
Belanghebbende betoogt ten aanzien van toeslagjaar 2010 dat onduidelijk is waarop de urenvermindering van de twee oudste kinderen (van 140 naar 120 respectievelijk van 229 naar 135) is gebaseerd; deze urenvermindering is volgens haar onjuist. De Commissie stelt vast dat de urenvermindering is gebaseerd op de Contra-informatie KOI (productie 60) en overeenstemt met deze informatie.
Er was naar de Commissie meent voor B/T geen aanleiding om aan deze gegevens te twijfelen.
Belanghebbende betwist verder dat zij de KOT over 2011 op 8 februari 2011 heeft
stopgezet per 1 januari 2011; haar kinderen hebben alle drie over het gehele jaar 2011 gebruik gemaakt van kinderopvang.
De Commissie overweegt dat met het XML-bestand in productie 61 voldoende
aannemelijk is dat de KOT is stopgezet per 1 januari 2011. Bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel mocht B/T ervan uitgaan dit door of namens belanghebbende werd gedaan. Hiermee is de nihilstelling van de KOT bij beschikking van 2 april 2011 verklaarbaar.
Belanghebbende betwist daarnaast dat zij de KOT over 2015 op 22 april 2015 met ingang van 1 mei 2015 heeft stopgezet. De Commissie wijst op productie 73, de elektronische melding van stopzetting. Dat B/T op grond hiervan de KOT heeft stopgezet, acht de Commissie niet vooringenomen.
De diverse bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheids-tegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen.
Over het betoog van belanghebbende dat de KOT over diverse jaren (2010, 2011 en 2012) ten onrechte is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling (De Geschudde Maat B.V.) overweegt de Commissie nog als volgt.
Wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar
vervolgens bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van tenminste € 1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van tenminste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de
opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het
evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.
UHT heeft, toepassing gevend aan deze praktijk, besloten dat geen aanspraak bestaat op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. Voor de jaren 2010, 2011 en 2012 is aannemelijk geworden dat het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan € 1.500,-. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor omschreven door UHT gehanteerde vereisten om voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel in aanmerking te komen.
De Commissie heeft in de stukken en in het verhandelde ter zitting ook geen aanleiding kunnen vinden om de opvatting te huldigen dat UHT hier van deze praktijk ten gunste van belanghebbende had moeten afwijken. Het door belanghebbende aangevoerde bezwaar slaagt niet.
Toeslagjaar 2013
Bij beschikking van 21 maart 2013 is het voorschot KOT 2013 neerwaarts bijgesteld van € 29.309,- naar € 17.505,- vanwege de stopzetting van de KOT voor 2 kinderen per 1 januari 2013. Belanghebbende betoogt dat zij de KOT niet zelf
heeft stopgezet.
In haar reactie van 3 februari 2025 erkent UHT dat B/T de KOT heeft stopgezet; dat volgt uit de vermelding van een user-id in de XML-bestanden van de betreffende stopzettingen (producties 86 en 87). Volgens UHT is echter aannemelijk dat de stopzetting (en een verlaging van het inkomen) ofwel door belanghebbende ofwel door de kinderopvanginstelling is doorgegeven aan een medewerker van de BelastingTelefoon. Deze medewerker heeft de stopzetting vervolgens verwerkt. Het betreft dus de verwerking van een telefonisch doorgegeven stopzetting.
De Commissie meent dat sprake is van vooringenomen handelen als de KOT in het
lopende jaar is stopgezet op aangeven van de kinderopvanginstelling zonder hierover nadere uitvraag te doen bij belanghebbende. Nu UHT geen uitsluitsel kan geven over de bron van de telefonische stopzetting en dus de mogelijkheid reëel aanwezig is dat dit de kinderopvanginstelling was, concludeert de Commissie dat sprake is van vooringenomen handelen van B/T over toeslagjaar 2013. Belanghebbende komt daarom in beginsel in aanmerking voor compensatie over dit jaar.
De Commissie zal adviseren het besluit op dit onderdeel gegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC-I A in zoverre te herroepen.
Toeslagjaar 2014
Compensatieberekening
Belanghebbende betoogt dat het compensatiebedrag te laag is.
In de beschouwing stelt UHT zich op het standpunt dat de compensatieberekening juist te hoog is berekend. Zo is voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade ten onrechte uitgegaan van de interne stopdatum van 17 september 2014 (productie 81). Dit had 21 oktober 2014 moeten zijn, de datum van de eerste onterecht verlaagde beschikking (productie 79). De einddatum had iets later moeten liggen; 10 augustus 2022 in plaats van 8 augustus 2022. Aanpassing hiervan leidt niet tot een ander aantal halve jaren, de vergoeding blijft € 8.000,-. De rentevergoeding voor gemiste KOT is € 307,- te hoog vastgesteld; dit had € 2.788,- moeten zijn in plaats van € 3.095,-. Dit heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1%, deze is € 3,- te hoog vastgesteld.
UHT stelt vast dat het totaal aan compensatie niet hoger uitkomt dan het al uitgekeerde bedrag van € 30.000,-; er bestaat daarom geen recht op nabetaling.
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire
vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook in het geval van belanghebbende worden gevolgd. De Commissie zal UHT daarom adviseren overeenkomstig dit van de Wht afwijkende maar voor belanghebbende begunstigende gehanteerde beleid voor wat betreft de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade uit te blijven gaan
van de interne stopdatum van 17 september 2014. De Commissie merkt daarbij op dat UHT geacht wordt dat beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toe te passen.
UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.
Ten aanzien van toeslagjaar 2014 betoogt belanghebbende voorts dat ook haar twee oudste kinderen gebruik hebben gemaakt van kinderopvang.
Voor zover belanghebbende betoogt dat de KOT over dit jaar onjuist is vastgesteld,
overweegt de Commissie dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen
handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen.
Belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het
toeslagjaar 2014 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen KOT aangevraagd
De Commissie overweegt dat niet in geschil is dat belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 geen KOT heeft aangevraagd. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste en komt daarom niet in aanmerking voor compensatie.
Ten aanzien van toeslagjaar 2016 stelt belanghebbende dat zij wel KOT heeft
aangevraagd en dat haar vier kinderen tot en met mei 2016 gebruik hebben gemaakt van kinderopvang dan wel naschoolse opvang.
UHT stelt dat zij in geen enkel systeem van de Belastingdienst iets heeft aangetroffen dat wijst op een aanvraag van KOT door belanghebbende voor het jaar 2016 of beschikkingen KOT voor dat jaar (SAS-overzicht, productie 75).
Nu op geen enkele wijze uit de stukken volgt of anderszins aannemelijk is geworden dat belanghebbende in het jaar 2016 daadwerkelijk aanspraak heeft gemaakt op KOT, slaagt deze bezwaargrond niet.
Opzet/grove schuld
Belanghebbende is het niet eens met het bedrag van de O/GS-tegemoetkoming; zij
betoogt dat zij recht heeft op een hogere tegemoetkoming. Bij de berekening is volgens haar uitgegaan van onjuiste terug te betalen bedragen en ten onrechte zijn daarbij slechts de jaren 2010 tot en met 2013 meegenomen.
De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming is
toegekend voor de jaren 2010, 2012 en 2013. Dat ook voor de andere herbeoordeelde jaren een O/GS-tegemoetkoming moet worden toegekend, volgt de Commissie niet.
Belanghebbende heeft alleen voor de jaren 2010, 2012, 2013 en 2014 de kwalificatie opzet/grove schuld gekregen (productie 78).
Dat bij de berekening is uitgegaan van onjuiste, te lage, terug te betalen bedragen, is de Commissie niet gebleken.
Ten aanzien van het betoog dat bij de berekening van de O/GS-tegemoetkoming over de diverse jaren ten onrechte geen rekening is gehouden met de betaalde rente, overweegt de Commissie als volgt.
Op grond van artikel 2.6, lid 2, Wht bedraagt de O/GS-tegemoetkoming 30 procent van het bedrag van de terugvordering. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het hierbij gaat om het oorspronkelijke bedrag van de terugvordering.
De Commissie leidt hieruit af dat een bedrag aan betaalde rente hierbij niet is inbegrepen.
Voor zover belanghebbende betoogt dat de O/GS-tegemoetkoming naast de
compensatie op grond van de Catshuisregeling uitbetaald dient te worden, overweegt de Commissie als volgt. Belanghebbende heeft ambtshalve een forfaitair bedrag van € 30.000,- ontvangen.
Toekenning van dit bedrag betekent niet dat belanghebbende per definitie recht heeft op toepassing van de compensatieregeling of de O/GS-tegemoetkomingsregeling. Op grond van de artikelen 2.1, vijfde lid, en artikel 2.6, lid 4, van de Wht blijven compensatie, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, een O/GS-tegemoetkoming en een aanvullende O/GS tegemoetkoming voor de werkelijke schade onder andere achterwege
voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is
voorzien. Een ingevolge artikel 2.7, lid 1 van de Wht toegekend forfaitair bedrag van € 30.000,- is een voorbeeld van een dergelijke vergoeding of tegemoetkoming
(Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 79). De aan belanghebbende toegekende O/GS-tegemoetkoming is daarom terecht verrekend met het eerder toegekende en betaalde forfaitaire bedrag van € 30.000,-. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit met kenmerk UHT-DC-I A naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen;
- voor toeslagjaar 2013 alsnog vooringenomenheid aan te nemen en compensatie
toe te kennen; - de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade vast te stellen op de
datum van de beschikking op bezwaar; - de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen op basis van
2 procespunten met een wegingsfactor 2 uitgaande van de hoogste vergoeding per procespunt.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter