Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10118

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 9 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DC I, UHT-DHR, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A

Ontvangst bezwaarschrift: 15 september 2022

Hoorzitting: 12 maart 2024

Overdracht advies aan UHT: 24 juni 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift deels gegrond te verklaren en vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Onderwerp van advies

Op 9 augustus 2022 heeft UHT vier beschikkingen genomen ten aanzien van belanghebbende:

  1. In de beschikking met kenmerk UHT-DC I heeft UHT beslist dat aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van € 33.421 wordt toegekend voor de toeslagjaren 2011 (30 augustus tot 31 december) en 2013. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die periode bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) fouten gemaakt.
  2. In de beschikking met kenmerk UHT-DHR heeft UHT beslist dat aan belanghebbende het definitieve compensatiebedrag wordt toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011 (januari). B/T heeft over die periode bij de beoordeling van de KOT de regels erg streng toegepast.
  3. In de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A heeft UHT beslist dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2012, 2014 en 2015. De reden is dat bij de beoordeling van de KOT voor deze periodes door B/T geen fouten zijn gemaakt.
  4. In de beschikking met kenmerk UHT-DH5 A heeft UHT beslist dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2012, 2014 en 2015. De reden is dat niet is gebleken dat B/T te streng is geweest bij het uitvoeren van de regels van de KOT.

    Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

    Procesverloop

    • Op 18 februari 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011. Op 17 mei 2021 is het verzoek uitgebreid met de jaren 2012 en 2013.

    • Bij beschikking van 25 maart 2022 is aan belanghebbende meegedeeld dat UHT op basis van de uitgevoerde lichte toets nog geen reden ziet om aan belanghebbende een bedrag van € 30.000 toe te kennen en dat de integrale beoordeling nog moet worden uitgevoerd.

    • Op 6 mei 2022 is in overleg met belanghebbende afgesproken dat de herbeoordeling ziet op de jaren 2010 tot en met 2015.

    • Op 28 juni 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2011 (periode van 1 januari tot en met 29 augustus), 2012, 2014 en 2015.
    • Op 9 augustus 2022 heeft UHT de hierboven genoemde vier beschikkingen genomen. Het definitieve compensatiebedrag voor de jaren 2010, 2011 en 2013 is vastgesteld op € 33.421.
    • Op 15 september 2022 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend tegen de vier beschikkingen. Op 4 mei 2023 heeft gemachtigde aanvullende gronden ingediend en de bezwaren met betrekking tot de toeslagjaren 2012 en 2015 ingetrokken.
    • Op 8 september 2023 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
    • Op 12 maart 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
    • Op 15 april 2024 heeft UHT per e-mail aangegeven te blijven bij het standpunt dat de aanvangsdatum van de immateriële schadevergoeding 16 februari 2012 dient te zijn. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld om, indien gewenst, hierop nog te reageren.
    • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.

    Ontvankelijkheid

    De ontvankelijk van het bezwaarschrift is niet in geschil.

    Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

    Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat, naar aanleiding van het door UHT in de schriftelijke reactie ingenomen standpunt, enkel nog ten aanzien van de aanvangsdatum van de immateriële schadevergoeding en de afgewezen compensatie voor 2011 (periode 5 juli tot en met 29 augustus) en 2014 advies van de Commissie is gewenst. De bezwaren omtrent de toeslagjaren 2012 en 2015 zijn ingetrokken.

    Aanvangsdatum immateriële schadevergoeding

    Gemachtigde stelt dat voor de startdatum van de immateriële schadevergoeding moet worden uitgegaan van 7 januari 2011 (eerste nihil beschikking) in plaats van 16 februari 2012. De stress en onzekerheid over de KOT zijn toen al begonnen voor belanghebbende.

    UHT stelt zich op het standpunt dat op 7 januari 2011 inderdaad de eerste nihilstelling heeft plaatsgevonden. Echter, omdat op dat moment geen gekwalificeerde kinderopvang werd afgenomen, was sprake van evident geen recht. Om die reden stelt UHT dat voor de aanvang van de immateriële schadevergoeding de datum 16 februari 2012 wordt gehanteerd. Na de hoorzitting, heeft UHT op 15 april 2024 per e-mail aangegeven dit standpunt te handhaven.

    De Commissie overweegt dat volgens artikel 2.2 lid 1 onder a juncto 2.3 lid 4 Wht wordt gerekend met de dagtekening van een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid dan wel hardheid. Uit het bezwaardossier blijkt dat de eerste nihil beschikking dateert van 7 januari 2011 en met betrekking tot deze nihil beschikking door UHT is vastgesteld dat belanghebbende dient te worden gecompenseerd op grond van hardheid. In de beschikking van 9 augustus 2022 van UHT (UHT-DHR) staat expliciet dat B/T bij de beoordeling van de situatie van belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 (januari) de regels erg streng heeft toegepast. De Commissie kan het standpunt van UHT daarom niet volgen en is met gemachtigde van oordeel dat de aanvangsdatum van de immateriële schadevergoeding 7 januari 2011 moet zijn. De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond.

    Ten overvloede merkt de Commissie op dat de datum die UHT wel wenst te hanteren, zijnde 16 februari 2012, ook ziet op een nihil beschikking waarvoor later is overgegaan tot compensatie op grond van hardheid. Uit onder ander het informatie- en beoordelingsformulier blijkt dat ook in het gehele toeslagjaar 2010 geen gekwalificeerde kinderopvang heeft plaatsgevonden.

    Compensatieberekening – rente gemiste KOT

    UHT heeft in de schriftelijke reactie en tijdens de hoorzitting aangegeven dat voor de alle drie te compenseren toeslagjaren is gerekend met onjuiste data voor het berekenen van de rentevergoeding over de gemiste KOT (regel o van de compensatieberekening). De bedragen voor de rentevergoeding over de gemiste KOT dienen hoger te zijn. UHT acht het bezwaar op dit punt gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT om aan deze toezegging gevolg te geven en de compensatieberekening aan te passen conform de in de schriftelijke reactie opgenomen toezeggingen.

    UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.

    Afwijzing compensatie periode 2011 en toeslagjaar 2014

    Gemachtigde stelt dat gedurende de periode 5 juli tot en met 29 augustus 2011 wel kwalitatief goede opvang is verzorgd door de gastouder. Het enkel tegenwerpen dat er geen registratie was in het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK-registratie), is onevenredig hard. Er is volgens gemachtigde te indringend getoetst. Dit geldt ook voor toeslagjaar 2014. Ondanks dat de gastouder niet LRK-geregistreerd was, verzorgde zij wel de opvang na schooltijd. Het was een voortzetting van de situatie in 2013. De ontvangen KOT heeft belanghebbende gebruikt om de gastouder te betalen.

    Belanghebbende stelt dat zij door de terugvorderingen onevenredig hard is getroffen door de te strikte toepassing van de regels.

    UHT stelt zich op het standpunt dat voor de genoemde periode in 2011 en geheel toeslagjaar 2014 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid. Belanghebbende had geen recht op KOT omdat geen gebruik is gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De door belanghebbende ten onrechte ontvangen KOT is op de juiste gronden teruggevorderd.

    De Commissie overweegt dat uit de op de zaak betrekking hebbende gegevens blijkt dat gedurende de periode 5 juli tot en met 29 augustus 2011 en geheel 2014 geen opvang heeft plaatsgevonden via een geregistreerde kinderopvanginstelling. Volgens artikel 1.5 van de Wet kinderopvang bestaat alleen recht op KOT als sprake is van geregistreerde kinderopvang. Omdat niet aan deze voorwaarde werd voldaan, bestond geen recht op KOT. Dat hierover destijds door B/T verschillende voorschotten zijn afgegeven, maakt dit niet anders. Van institutioneel vooringenomen handelen door B/T jegens belanghebbende is gedurende deze perioden geen sprake geweest. Evenmin is in het geval van belanghebbende sprake geweest van hardheid van het stelsel. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

    Proceskostenvergoeding

    Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie deels gegrond is, bestaat aanleiding voor proceskostenvergoeding. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen.

    Conclusie

    Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

    • het bezwaarschrift, voor zover gericht tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR, deels gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
    • het bezwaarschrift, voor zover gericht tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, ongegrond te verklaren; en
    • een proceskostenvergoeding toe te kennen.

    [handtekening]

    Secretaris

    [handtekening]

    Fungerend voorzitter