Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-09872

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 26 april 2021 (CAP UCF/21/113 UHT) en 14 juli 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 14 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 25 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de
bezwaren ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het besluit van 26 april 2021
Door de gemachtigde is namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen het door UHT genomen besluit om belanghebbende geen € 30.000,- te betalen naar aanleiding van de eerste toets.


De besluiten van 14 juli 2022
Door belanghebbende is een bezwaarschrift ingediend tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen
compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2016.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 november 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015.
    Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar zijn de jaren 2011, 2012, 2013 en 2016 toegevoegd aan het verzoek.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-. Tegen deze beschikking heeft L.C. Chung, bij brief van 4 mei 2021, namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2016.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 9 augustus 2022, ingekomen op dezelfde
    datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 14 september 2023 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 14 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie met bijlagen ingediend. Mr. N. Idrissi (hierna: gemachtigde) heeft op 20 juni 2025 te kennen gegeven dat belanghebbende afziet van de mogelijkheid daarop te reageren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Besluit eerste toets
Op 26 april 2021 heeft UHT na de eerste toets besloten om niet tot toewijzing van een compensatie van € 30.000,- over te gaan. In dit besluit staat uitgelegd dat een
uitgebreidere herbeoordeling nog zal volgen. Deze integrale beoordeling heeft vervolgens geleid tot de besluiten van UHT van 14 juli 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHTDH5 A, waarin aan belanghebbende definitief geen compensatie wordt toegekend.
Na bestudering van het bezwaardossier is de Commissie niet gebleken dat het besluit van 26 april 2021 onzorgvuldig tot stand is gekomen, of dat de onderbouwing van dit besluit tekortschoot. Bovendien heeft gemachtigde ter zitting verklaard dat het bezwaar tegen de eerste toets geen zelfstandige betekenis meer heeft. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar tegen deze beschikking ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie over het jaar 2015 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)
Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat het bezwaar zich enkel nog richt tegen de afwijzing van compensatie over het jaar 2015.

Voor het jaar 2015 werd op 27 december 2014 een voorschotbeschikking afgegeven op basis van automatisch continueren. Op 21 januari 2015 werd de KOT op nihil gesteld, naar aanleiding van de stopzetting per 1 januari 2015, gemeld op 9 december 2014 (productie 59).

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij zich niet kan herinneren dat hij de KOT zelf heeft stopgezet. Op basis van de melding uit productie 59 kan volgens hem niet worden uitgesloten dat de stopzetting door een medewerker van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is gedaan. Hij acht daarnaast opmerkelijk dat bij de beschikking van 27 december 2014 nog een KOT-voorschot wordt toegekend voor 2015. Bovendien bestaat bij belanghebbende het vermoeden dat de stopzetting verband hield met het feit dat hij in de Fraude Signalering Voorziening (FSV-lijst) geregistreerd stond en dat hij blijkens een melding van
31 mei 2017 (productie 4, onderdeel E. Tijdlijn) betrokken is geweest bij een CAF-onderzoek. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard niet meer te weten of hij in 2015 kinderopvang heeft afgenomen.

UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende de KOT voor het jaar 2015 zelf heeft stopgezet en heeft dat, op verzoek van de Commissie, bij aanvullende beschouwing van 16 mei 2025 nader onderbouwd.

De Commissie overweegt dat voldoende vaststaat dat B/T niet ambtshalve heeft besloten tot de stopzetting van de KOT voor 2015. Immers kan op basis van het XML-bestand (productie 61) worden vastgesteld dat de melding van 9 december 2014 (die ook zichtbaar is in productie 62) is gedaan via het burgerportaal, zie met name de regel: urn:BurgerPortaal. In de regels daarna staat dat de aanleveraard is geïdentificeerd, waarbij het BSN nummer van belanghebbende is vermeld.
Dit wijst erop dat de nihilbeschikking van 21 januari 2015 voortvloeit uit een reguliere wijziging. Dat bij tussenliggende beschikking van 27 december 2014 wél een voorschot werd toegekend doet daar niet aan af. Die beschikking is bovendien verklaarbaar omdat, zoals UHT heeft toegelicht, sprake was van een geautomatiseerd continueren van de aanvraag uit 2014. De Commissie ziet daarom, mede gelet op de uitleg van UHT over de FSV-lijst en onderzoek ‘CAF 1715 VVE 010’, geen aanknopingspunten om te adviseren dat B/T bij de stopzetting van de KOT per 1 januari 2015 vooringenomen heeft gehandeld. Daarnaast is voor toeslagjaar 2015 niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die aanspraak geven op een hardheidscompensatie. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter