BAC 2022-09068
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 7 juni 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DC I) en 12 augustus 2022 (UHTDH5 A, UHT-DC-I A en UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 16 april 2025
Overdracht aan UHT: 3 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie te verlenen over de jaren 2007 tot en met 2009, de compensatieberekening over 2006 aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) voor het jaar 2006 compensatie toegekend voor een bedrag van € 10.093,-, aangevuld tot € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling en geen
compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2010. Voor de jaren 2008 tot en met 2010 is wel een tegemoetkoming op grond van Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GStegemoetkoming) toegekend van € 13.141,-. Dit heeft niet geleid tot een nabetaling.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 maart 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2014. In
overleg met belanghebbende zijn de jaren 2006 tot en met 2010 beoordeeld
omdat alleen in die jaren sprake was van KOT. - UHT heeft bij beschikking van 1 maart 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- ingevolge de
Catshuisregeling. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 4 januari 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geadviseerd dat gedurende de jaren 2007 tot en met 2010 geen sprake is
geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 juni 2022 met kenmerk UHT-DC-I A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor toeslagjaar 2007.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 10 februari 2022 aan belanghebbende een
compensatie toegekend voor een bedrag van € 10.033,-. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 juni 2022 met kenmerk UHT-DC I
aan belanghebbende voor het jaar 2006 een compensatie toegekend van
€ 10.093,-. Belanghebbende heeft geen extra bedrag ontvangen, omdat aan haar al € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling is uitbetaald. - Gemachtigde heeft bij brieven van 14 juli 2022 tegen de beschikkingen van
7 juni 2022 een bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 12 augustus 2022 met kenmerk
UHT-DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend
voor de jaren 2007 tot en met 2010. - UHT heeft bij beschikking van 12 augustus 2022 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 13.141,- voor de jaren 2008 tot en met 2010.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 14 september 2022 tegen de beschikkingen
van 12 augustus 2022 een bezwaarschrift ingediend. - Gemachtigde heeft bij brief van 22 februari 2023 de gronden van bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 28 juni 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 16 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 april 2025, het
XML-bestand behorend bij de aanvraag van 28 mei 2010 toegestuurd.
Gemachtigde heeft daarop op 30 april 2025 gereageerd. UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 13 mei 2025 hierop gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2006 op de juiste wijze heeft berekend en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2010 af te wijzen.
Compensatieberekening toeslagjaar 2006
UHT stelt zich op het standpunt dat de rente gemiste KOT onjuist is berekend; de
einddatum had 7 juni 2022 moeten zijn in plaats van 3 juni 2022. Het bedrag aan rente gemiste KOT wordt daardoor € 2.576,- in plaats van € 2.574,-.
Omdat het bezwaar hierdoor gedeeltelijk gegrond is, zal de vergoeding voor immateriële schade worden (her)berekend tot de datum van de beschikking op bezwaar. Verder wordt de aanvullende vergoeding van 1% aangepast.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig
adviseren.
Toeslagjaren 2007 tot en met 2010
UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende over de jaren 2007 tot en met 2009 alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de hardheidsregeling (KOT naar KOI). De reden daarvoor is dat de KOT is overgemaakt aan de KOI maar vervolgens bij belanghebbende is teruggevorderd; er stond geen opvang tegenover, zodat de KOT niet aan belanghebbende ten goede is gekomen.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig
adviseren.
Voor 2010 geldt aldus UHT dat de KOT is overgemaakt aan belanghebbende zelf en ook bij haar is teruggevorderd na de telefonische stopzetting van de KOT per
1 januari 2010.
De Commissie stelt aan de hand van het LIC-overzicht (productie 65) vast dat de KOT over het jaar 2010 inderdaad is overgemaakt aan belanghebbende. Van een situatie KOT naar KOI zoals eerder in de jaren 2007 tot en met 2009 is daarom geen sprake. Voor het jaar 2010 komt belanghebbende om die reden niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling.
Belanghebbende betwist dat zij voor 2010 KOT heeft aangevraagd op 28 mei 2010. Zij kan zich dit in ieder geval niet herinneren. Niemand anders kan de aanvraag ook gedaan hebben; althans zij heeft niemand daarvoor opdracht dan wel toestemming gegeven. Zij verzoekt om bewijs dat de aanvraag per DigiD is gedaan.
UHT heeft toegelicht dat het XML-bestand wordt gegenereerd wanneer er een aanvraag, wijziging of stopzetting is ingediend via het persoonsgebonden loket van de aanvrager.
In het XML-bestand is het burgerservicenummer (aangegeven als sofinummer) vermeld op de derde regel. Dit bevestigt, volgens UHT, dat de aanvraag door belanghebbende is ingediend.
De Commissie constateert dat uit het XML-bestand (productie 1210001, pagina 277 en 278 van het ouderdossier) blijkt dat op 28 mei 2010 met de DigiD van belanghebbende KOT is aangevraagd per 1 januari 2010 voor de kinderen.
Het XML-bestand is een digitaal bestand dat ofwel met de DigiD van de belanghebbende is aangemaakt ofwel door een ambtenaar van B/T. In dat
laatste geval wordt een username vermeld.1 Dat is hier niet het geval. Hiermee is
voldoende aannemelijk dat op 28 mei 2010 met de DigiD van belanghebbende KOT is aangevraagd per 1 januari 2010. Nu er geen aanwijzingen zijn die op het tegendeel duiden, mocht B/T ervan uitgaan dat de aanvraag op 28 mei 2010 door of namens belanghebbende werd gedaan. De Commissie ziet geen aanknopingspunten voor vooringenomen handelen door B/T.
Excuses
Op de hoorzitting heeft belanghebbende verteld over de beschuldigingen van fraude aan haar adres en wat voor effect dit op haar heeft gehad. Het zou voor haar veel betekenen om hiervoor excuses te ontvangen.
De Commissie adviseert UHT hieraan in de beschikking op bezwaar aandacht te
besteden.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten van 7 juni 2022 met kenmerk UHT-DC I en UHT-DC-I A en de primaire besluiten van 12 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. De Commissie meent dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op grond van dit Besluit heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- Alsnog compensatie toe te kennen op grond van hardheid over de jaren 2007 tot
en met 2009 en de compensatieberekening als gevolg hiervan aan te passen; - De compensatieberekening over toeslagjaar 2006 voorts als volgt aan te passen:
o Component o, rente gemiste KOT, te wijzigen in € 2.576,-;
o Component n, vergoeding van immateriële schade, te berekenen tot de datum van de beschikking op bezwaar;
o Component p, aanvullende vergoeding, aan te passen; - Een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter