BAC 2022-08876
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 juni 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 22 november 2024 om 10:00 uur
Overdracht aan UHT: 6 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van 6 juni 2022, inhoudende dat geen sprake is geweest van vooringenomenheid of hardheid over de toeslagjaren 2010 tot en met 2018.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de
kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2018. - De Commissie van Wijzen heeft UHT op 1 april 2022 meegedeeld dat UHT zich
terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de
Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing
zijn voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2018. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 6 juni 2022 met kenmerk UHT-
DC-I A aan belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomenheid over de toeslagjaren 2010 tot en met 2018. - UHT heeft op basis van de herbeoordeling bij de bestreden beschikking van
6 juni 2022 met kenmerk UHT-DH5 A belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie wegens hardheid over de jaren 2010 tot en met 2016. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 6 juni 2022 met kenmerk UHT-DH A
aan belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie wegens
hardheid over de toeslagjaren 2017 en 2018. - Gemachtigde heeft bij brief van 7 juli 2022, ingekomen op 8 juli 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- Bij emailbericht van 28 september 2023 heeft gemachtigde het bezwaarschrift
aangevuld. - Op 24 juni 2024 heeft mr. Bogaards zich als gemachtigde van belanghebbende gesteld en nadere gronden ingediend.
- UHT heeft op 29 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift door
middel van een schriftelijke beschouwing. - UHT heeft op 15 augustus 2024 een nadere schriftelijke beschouwing (eveneens gedateerd 29 juli 2024) ingediend op de aanvullende gronden.
- Op 22 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie af te wijzen.
Motivering bestreden besluit / Ontbrekende stukken / Equality of arms
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de
motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet uitvoerig genoeg zou hebben toegelicht, impliceert dit niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is.
De Commissie constateert dat in de bijlage bij de bestreden beschikkingen al een toelichting per toeslagjaar is gegeven waarmee UHT de bestreden beschikking per jaar motiveert. Verder heeft UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing en een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelings-formulier, LIC overzichten, (volledige) SAS-overzichten en overige producties.
Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor voldoende onderbouwd.
Op 3 oktober 2024 zijn de schriftelijke beschouwing(en) en het bezwaardossier aan
gemachtigde gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis
kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belang-hebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit.
Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, lid twee, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet gebleken.
De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door haar gewenste doel leiden. Tijdens de hoorzitting heeft belang-hebbende nog gevraagd om toezending van een door haar als “invorderings-dossier” genoemd stuk. UHT heeft toegezegd hier onderzoek naar te doen. Aangezien het hier niet om een “op de zaak betrekking hebbend stuk” gaat als bedoeld artikel 7: 4, lid twee, voornoemd, laat de Commissie dit punt verder onbesproken.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
KOT automatisch gecontinueerd
Belanghebbende stelt dat UHT onzorgvuldig heeft gehandeld bij de automatische
continuaties van de KOT over alle jaren.
De Commissie overweegt dat UHT terecht heeft gesteld dat een toeslagaanvraag geacht wordt mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren (art. 15, lid 5 Awir). UHT heeft daarmee de reguliere wettelijke procedure gevolgd zodat er door het enkele feit van een automatische continuatie geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Uit de (algemene) stellingname van belanghebbende is verder niet aannemelijk geworden waarom dat wel het geval zou zijn voor een of meerdere toeslagjaren. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ontbrekend jaar (2009)
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom het toeslagjaar 2009 niet is meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over het toeslagjaar 2009 sprake was van KOT.
De Commissie stelt vast dat de aanvraag van belanghebbende om herbeoordeling alleen zag op de toeslagjaren 2010 tot en met 2018. De stukken geven geen enkele aanwijzing dat dit verzoek, ook niet onder invloed van contact met de persoonlijke zaakbehandelaar, is uitgebreid met het jaar 2009. Pas in het aanvullende bezwaarschrift van 24 juni 2024 is een daartoe strekkende wens geuit. In dat licht bezien kan niet worden geconcludeerd dat UHT ten onrechte heeft nagelaten dit jaar in de herbeoordeling te betrekken. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie thans geen mogelijkheden om het toeslagjaar 2009 (alsnog) in haar advisering te betrekken.
De Commissie heeft daarbij goede nota genomen van de ter zitting gedane toezegging van UHT om het toeslagjaar 2009, vanwege de bijzondere omstandigheden, alsnog voor te leggen aan de eerder genoemde persoonlijk zaakbehandelaar om als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beoordeling van de toeslagjaren
UHT heeft de verschillende toeslagjaren in bezwaar nogmaals in detail behandeld in de schriftelijke beschouwingen.
De Commissie constateert dat de Commissie van Wijzen in haar advies bij de bestreden beschikking het volgende heeft geconcludeerd over de jaren 2010 tot en met 2018:
“Op grond van dat overzicht en de verder verstrekte informatie is de Commissie van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan kinderopvangtoeslag voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2018 onjuist zijn of dat de Belastingdienst/Toeslagen voor deze jaren institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Hieruit volgt onder meer dat voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2018 de definitieve beschikkingen zijn gebaseerd op de door belanghebbende dan wel de door de kinderopvanginstelling aangeleverde gegevens en het vastgestelde toetsingsinkomen voor die jaren. Er zijn geen aanwijzingen dat deze gegevens onjuist of onvolledig zijn. Uit het Informatie- en beoordelingsformulier volgt verder dat de bij voorschotbeschikking doorgevoerde (neerwaartse) correcties van de voorschotbedragen gedurende de jaren 2010 tot en met 2018 steeds zijn gebaseerd op de door belanghebbende doorgegeven wijzigingen in opvang-gegevens waaronder de stopzettingen van de kinderopvangtoeslag door belanghebbende op 30 december 2009 per 15 februari 2010 (toeslagjaar 2010), 22 februari 2012 per 1 maart 2012 (toeslagjaar 2012) en 26 juli 2018 per 26 juli 2018 (toeslagjaar 2018).
Voorts volgt uit de stukken dat voor de toeslagjaren 2011 en 2013 geen neerwaartse correcties op de voorschotbedragen hebben plaatsgevonden. Voor de toeslagjaren 2010, 2012 en 2014 tot en met 2018 zijn de voorschotbedragen steeds bij definitieve beschikking gecorrigeerd doordat belanghebbende een hoger toetsingsinkomen had dan waarvan bij de berekening van de voorschotbedragen was uitgegaan en/of er minder uren kinderopvang werden afgenomen dan
waarvan bij de berekening van de voorschotbedragen was uitgegaan.”
De Commissie stelt vast dat UHT, in haar schriftelijke beschouwing(en), gedetailleerd heeft uiteengezet dat de wijzigingen over de jaren 2010 tot en met 2018 waren te herleiden tot reguliere wijzigingen in het toetsingsinkomen of wijzigingen die bij B/T zijn ingediend met gebruikmaking van het DigiD van belanghebbende. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de KOT naar KOI regeling van toepassing is. Tevens staat vast dat over de toeslagjaren 2011 en 2013 geen verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. Uit het dossier is evenmin gebleken dat sprake was van een onterechte O/GS kwalificatie zodat een O/GS tegemoetkoming niet aan de orde is.
De Commissie overweegt dat bij die feiten en omstandigheden onvoldoende
aanknopingspunten aanwezig zijn om vooringenomenheid van B/T of hardheid van het stelsel aan te nemen. Er zijn tijdens het bezwaar ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die tot een andersluidende conclusie zouden moeten leiden.
Met betrekking tot de wijzigingen die per DigiD zijn doorgevoerd, overweegt de
Commissie in zoverre ten overvloede dat om een aanvraag, stopzetting of wijziging van de KOT te kunnen doen, de aanvrager moet inloggen met haar persoonlijke DigiDinloggegevens. Daarmee heeft B/T willen waarborgen dat alleen een rechthebbende op de toeslag een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat zij desondanks haar inloggegevens in die tijd met anderen heeft gedeeld.
Hoewel de Commissie zeker niet uitsluit dat belanghebbende dit te goeder trouw heeft gedaan, is zij van mening dat het delen van DigiD-inloggegevens, in afwijking van de geldende veiligheidswaarborgen, in beginsel voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Van een situatie van vooringenomenheid of hardheid kan in dit geval niet worden gesproken. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat er geen aanwijzingen zijn dat een derde gebruiker van de DigiD-inloggegevens daadwerkelijk ten nadele van belanghebbende KOT heeft ontvangen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft ter zitting nog gesteld dat B/T in de toeslagjaren 2010, 2011, 2014, 2015, 2016 en 2017 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel.
UHT stelt, naar het oordeel van de Commissie terecht, dat B/T bij verrekeningen van KOT geen rekening hoeft te houden met de beslagvrije voet, nu de KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar is bedoeld als bevordering van de arbeidsparticipatie.
De Commissie adviseert UHT daarom deze bezwaargrond ongegrond te verklaren.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar tegen de bestreden beschikkingen ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter