Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-08852

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 juni 2022 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 16 december 2024 om 15:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 24 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de aanvullende compensatie opnieuw te berekenen, met toepassing van het gewijzigde schadekader van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en met inachtneming van dit advies, en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van CWS.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) geen aanvullende compensatie toegekend.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet het bestreden besluit geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Bij brief van 16 november 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vastgesteld dat belanghebbende betrokken is geweest bij het CAF 11-dossier en mogelijk is gedupeerd door vooringenomen handelen.
  • Bij besluit van 26 maart 2020 is belanghebbende meegedeeld dat zij een bedrag van € 36.883 ontvangt, omdat er bij de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) is gebleken van fouten met betrekking tot de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Na ontvangst van het advies van de Commissie, is bij de beslissing op bezwaar bepaald dat het bezwaar gedeeltelijk gegrond is en dat belanghebbende recht heeft op een extra compensatiebedrag van € 9.899.
  • Op 12 januari 2022 heeft belanghebbende een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de CWS.
  • CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 juni 2022 aan UHT toegestuurd. Zij heeft geadviseerd, kort gezegd, om belanghebbende geen aanvullende schadevergoeding te betalen.
  • UHT heeft het advies van de CWS gevolgd en bij het bestreden besluit van 20 juni 2022 aan belanghebbende geen aanvullende compensatie toegekend.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 23 juni 2022, ontvangen op 27 juni 2022, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 16 juni 2023 heeft de CWS aanvullend advies gegeven en, kort gezegd, herhaald dat het onvoldoende aannemelijk is dat het vertrek van belanghebbende naar Turkije rechtstreeks verband houdt met de terugvorderingen van de KOT.
  • Op 1 december 2023 heeft de CWS aanvullend advies gegeven en overwogen om een aanvullende immateriële schadevergoeding te betalen van € 2.500.
  • UHT heeft op 11 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 5 december 2024 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend en daarin aangegeven dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende schadevergoeding van € 13.378.
  • Op 16 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht. De Commissie heeft belanghebbende geadviseerd om zich te laten bijstaan door een advocaat, en toen zij hierop inging de behandeling van de zaak aangehouden totdat zij een advocaat in de arm had genomen. De Commissie heeft tevens een aantal vragen aan partijen gesteld waarvan de beantwoording van belang is voor de beoordeling van het geschil.
  • Op 15 april 2025 heeft UHT de vragen van de Commissie beantwoord.
  • Bij brief van 7 oktober 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 20 oktober 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Op 14 november 2025 heeft de gemachtigde de Commissie geïnformeerd dat belanghebbende afziet van de hoorzitting die op 18 november 2025 zou plaatsvinden.
  • Gemachtigde heeft op 17 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van B/T waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, Brengt de CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van de CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van de CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van de CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.

In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van de CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of de CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van de CWS heeft gevolgd.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwingen en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Advies CWS

Belanghebbende voert aan dat het advies van de CWS niet rechtsgeldig tot stand is gekomen omdat dit in strijd is met het procesreglement van de CWS. In het advies is namelijk de naam van het lid of zijn de namen van de leden van de deelcommissie van de CWS niet opgenomen. Ook is het advies niet ondertekend en klopt de datum niet.

UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 20 oktober 2025 toegelicht dat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid en inhoud van het advies van de CWS.

De Commissie overweegt dat de CWS een verklaring heeft afgegeven waarin zij bevestigt dat alle eerder door of namens de CWS vastgestelde adviezen daadwerkelijk door de CWS zijn vastgesteld, ondanks dat niet alle vastgestelde adviezen zijn voorzien van een handtekening. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden om deze verklaring in twijfel te trekken. Belanghebbende is door deze omissie of door de onjuiste datum voorts niet in haar belangen geschaad. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals die indertijd definitief is vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeling overige toeslagjaren

Belanghebbende stelt dat niet alle toeslagjaren waarover zij KOT heeft ontvangen in de herbeoordeling in de integrale beoordeling zijn meegenomen. Zij verzoekt UHT alsnog een herbeoordeling over de toeslagjaren 2010, 2011, 2018 en 2019 uit te voeren.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft evenwel alleen betrekking op de vergoeding van de werkelijke schade en niet op de herbeoordeling van de KOT in de integrale beoordeling.

Verhuizing naar Turkije

Belanghebbende stelt dat zij door de problemen met KOT gedwongen was naar Turkije te verhuizen. Naast de kosten met betrekking tot deze verhuizing heeft zij hierdoor ook inkomensschade geleden, heeft zij langer over haar opleiding gedaan en extra studiekosten gemaakt. Ook heeft zij extra kosten gemaakt in verband met het speciaal onderwijs dat haar kinderen in Turkije volgden en moest zij haar auto onder de marktwaarde verkopen.

De CWS adviseert geen aanvullende vergoeding toe te kennen voor deze kosten, omdat geen oorzakelijk verband bestaat tussen de verhuizing naar Turkije en de terugvorderingen van de KOT. UHT heeft het advies van de CWS gevolgd.

De Commissie overweegt hierover als volgt. De KOT over het toeslagjaar 2014 is stopgezet per 1 september 2014. B/T heeft op 21 juli 2014 aan belanghebbende bericht dat zij geen KOT meer over 2014 zou ontvangen voordat de aanvraag zou zijn beoordeeld en dat belanghebbende binnenkort een beschikking dienaangaande zou ontvangen. De betreffende beschikking dateert van 21 augustus 2014 en stopte de KOT per 1 september 2014. Deze stopzetting was onterecht (p. 5 van de aanvullende beschouwing van UHT van 5 december 2024). Het laatste voorschot is blijkens het LIC-overzicht betreffende 2014 in juli 2014 betaald. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij de kinderopvang niet zelf kon blijven bekostigen en in Nederland geen familie en/of kennissen had die haar konden helpen. Zij stelt dat zij geen mogelijkheid zag haar kinderen te laten opvangen, waardoor zij niet meer kon werken en geen andere mogelijkheid zag dan te verhuizen naar Turkije waar haar familie haar kon ondersteunen. Belanghebbende is in januari 2015 naar Turkije verhuisd. Haar kinderen zijn volgens belanghebbende al eerder naar de moeder van belanghebbende in Turkije verhuisd en per 2 oktober 2014 van het adres van belanghebbende uitgeschreven.

De Commissie is van oordeel dat deze aangevoerde omstandigheden aanknopingspunten kunnen bieden om aan te nemen dat de verhuizing naar Turkije mogelijk noodzakelijk was als gevolg van de stopzetting van de KOT.

De CWS is in haar advies niet nader op de hierboven geschetste omstandigheden ingegaan. Door het op dit punt volgen van het advies van de CWS heeft UHT geen juiste invulling gegeven aan haar vergewisplicht.

De Commissie komt thans toe aan het verweer van UHT (p. 4 van de schriftelijke beschouwing van UHT van 11 april 2024) dat betrekking heeft op de omstandigheid dat de kinderen van belanghebbende ondanks het stopzetten van de KOT toch gedurende de gehele resterende periode van toeslagjaar 2014 opvang hebben genoten. Zoals hierboven onder Toetsingskader is uiteengezet moet de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoeken of de CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van het schadevergoedingsrecht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende aangevoerde gegevens en ingediende gronden van het bezwaar.

Volgens de jaaropgave van de kinderopvanginstelling heeft belanghebbende het gehele toeslagjaar 2014 kinderopvang afgenomen. Belanghebbende heeft niet verduidelijkt waarom zij het gehele jaar kinderopvang heeft afgenomen terwijl haar kinderen per oktober 2014 al naar Turkije zouden zijn verhuisd.

De Commissie heeft tijdens de hoorzitting van 16 december 2024 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om zich door een advocaat te laten bijstaan. De Commissie heeft toen – zoals ook neergelegd in het verslag van de hoorzitting – ook een vijftal vragen gesteld die van belang zijn om de genoemde onduidelijkheden weg te nemen.

Door de door belanghebbende ingeschakelde advocaat zijn vervolgens tweemaal aanvullende gronden ingediend, maar hierin wordt niet inhoudelijk ingegaan op de vragen die de Commissie aan haar tijdens de hoorzitting heeft gesteld. Zo vermeldt gemachtigde onder punt 35 van haar schrijven van 17 november 2025 dat ‘op pagina 111 is te lezen dat wordt aangegeven dat de KOT per 1 september is stopgezet, maar dat de ouder tot en met 31 december 2014 heeft afgenomen.’ Terwijl de Commissie al in december 2024 aan belanghebbende gevraagd heeft om hier ook zelf opheldering over te geven (hoe verhoudt deze stelling zich immers met de uitschrijving van de kinderen uit de Basisregistratie personen per 2 oktober 2014?), heeft ze dit derhalve niet gedaan. De constatering van belanghebbende (punt 45 van het schrijven van gemachtigde van 17 november 2025) dat het vertrek van de kinderen naar Turkije later dan oktober 2014 kan zijn geweest, verschaft evenmin de gevraagde helderheid en bevestigt eerder de juistheid van de door B/T ontvangen jaaropgave.

In het schrijven van 17 november 2025 van de gemachtigde heeft de belanghebbende de Commissie verzocht de kwestie op grond van de eerdere schriftelijke stukken, het eerder vertelde verhaal en hetgeen zij in dit schrijven vermeldde verder te beoordelen.

De Commissie komt dan ook tot de conclusie dat er van de zijde van belanghebbende geen aanvullende informatie te verwachten valt over de aan belanghebbende gestelde vragen. De Commissie zal dan ook overgaan tot advisering op basis van de informatie die haar nu ter beschikking staat.

Belanghebbende heeft ook volgens de Commissie onvoldoende aanknopingspunten gegeven om te adviseren dat het aannemelijk is geworden dat de verhuizing naar Turkije werkelijk noodzakelijk was door de stopzetting van de KOT en dat de daarmee verband houdende schadeposten daarom zouden moeten worden vergoed.

Vergoeding voor immateriële schade

In het oorspronkelijke advies van de CWS is geen vergoeding voor immateriële schade toegekend aan belanghebbende, omdat de CWS meende dat belanghebbende afdoende was gecompenseerd voor haar immateriële schade in de compensatiebeschikking. Op 1 december 2023 heeft de CWS een aanvullend advies uitgebracht naar aanleiding van een nieuw beoordelingskader waarin wel een hogere vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend. Omdat de CWS bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade van een onjuist inkomen is uitgegaan, acht UHT het bezwaar op dit punt gegrond.

Het advies van de CWS dateert van vóór de publicatie van het nieuwe schadekader van de CWS. UHT heeft de vergoeding voor immateriële schade daarom opnieuw berekend aan de hand van dit nieuwe schadekader. In de aanvullende beschouwing van 5 december 2024 is de schade door UHT per bouwsteen nader uiteengezet en onderbouwd. Omdat de vergoeding voor immateriële schade wordt verrekend met de vergoeding die reeds is toegekend, kent UHT een aanvullende vergoeding voor immateriële schade toe voor een bedrag van € 12.750.

Belanghebbende stelt dat de toegekende immateriële schadevergoeding geen recht doet aan haar leed. De berekening is niet transparant en het bedrag is te laag. Zij is jarenlang als fraudeur bestempeld en dit heeft haar reputatie geschaad. Het bedrag ziet niet op de pijn en het leed dat zij heeft ondervonden. Zij voelt zich gediscrimineerd, ongelijk behandeld, haar privacy is geschonden en door het handelen van B/T is zij in haar eer, goede naam en persoon aangetast. Zij stelt dat het forfaitaire bedrag van € 500 per halfjaar te laag is en dat aansluiting moet worden gezocht bij het strafrechtelijk normbedrag van € 130 per dag.

UHT verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2864) waarin het standpunt om aan te sluiten bij een vergoeding van € 130 per dag is verworpen. Volgens de Afdeling is de vaste vergoeding van € 500 per half jaar door de wetgever bewust neergelegd in de Wht, en bestaat er geen aanleiding hiervan af te wijken.

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwingen van UHT niet gebleken. De Commissie verenigt zich met de onderbouwing van de nader toegekende immateriële schadevergoeding aan de hand van de verschillende bouwstenen zoals UHT in haar beschouwing van 5 december 2024 heeft uiteengezet. Zij ziet in datgene wat belanghebbende hierover heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel op dit punt.

Verletdagen en reiskosten voor regelzaken

UHT heeft op basis van het nieuwe schadekader van de CWS voor de verletdagen aan belanghebbende een forfaitaire vergoeding van € 300 per gedupeerd toeslagjaar toegekend. Dit komt uit op een vergoeding van € 900. Daarnaast wordt een bedrag van € 600 toegekend voor de bezwaarprocedures die belanghebbende destijds heeft gevoerd in verband met de KOT. Omdat deze vergoedingen worden verrekend met de al uitgekeerde forfaitaire vergoeding voor materiële schade op grond van de definitieve compensatiebeschikking, heeft UHT beslist dat zij hiervoor aan belanghebbende geen aanvullend compensatiebedrag zal uitbetalen.

De Commissie acht de uiteenzetting van UHT over de vergoeding voor deze kosten op basis van het nieuwe schadekader van de CWS begrijpelijk en zorgvuldig en ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen.

Vergoeding voor het voeren van de procedure bij de CWS

UHT kent op grond van het gewijzigde schadekader een vaste vergoeding toe van €500 (inclusief wettelijke rente) voor de tijd en kosten van het voeren van de procedure bij de CWS. Deze vergoeding wordt niet verrekend met de al te ontvangen compensatie.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie concludeert dat het bezwaar deels gegrond is, adviseert zij UHT om het primaire besluit te herroepen en om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (indienen bezwaarschrift) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de aanvullende compensatie met toepassing van het gewijzigde schadekader van de CWS en met inachtneming van dit advies opnieuw te berekenen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief;
  • de overige bezwaargronden ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter