BAC 2022-08561
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 mei 2022 (UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 31 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 9 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie en herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 17 mei 2022 met kenmerk UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2016.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaar 2016.
- UHT heeft bij besluit van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 april 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het toeslagjaar 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 17 mei 2022 (UHT-DH5 A) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 juni 2022, ingekomen op 16 juni 2022, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 12 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 31 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van de bestreden besluiten kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.
Geen compensatie
Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over toeslagjaar 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de schriftelijke reactie nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen, waaronder de stopzetting door belanghebbende.
Door belanghebbende is aangevoerd dat de brief van 5 februari 2016 onduidelijk is geweest. In deze brief werd medegedeeld dat de LRKP-registratie van de kinderopvanginstantie waar haar kind was ondergebracht was vervallen. De brief was voor belanghebbende niet duidelijk over welke actie ondernomen moest worden en leverde ook conflicten op met de eigenaresse van de kinderopvang. Belanghebbende heeft daarop per 28 juni 2016 de KOT stopgezet.
De commissie constateert dat de brief inderdaad enigszins onduidelijk is en dat dit ook door UHT is erkend. De commissie ziet in deze brief echter geen reden om voorbij te gaan aan de stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf.
De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b, Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
Belanghebbende komt dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter