Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07958

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 mei 2022 (UHT-DC I A; UHT-DH5 A)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 19 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen

compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2014 en 2015.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2009, 2010, 2011, 2014 en 2015 zijn betrokken in de herbeoordeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 april 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluiten aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2014 en 2015.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 30 mei 2022, ingekomen op 9 juni 2022, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Belanghebbende heeft bij brieven van 15 juli 2022 en 6 maart 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 24 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Belanghebbende heeft de Commissie op 23 november 2025 bericht dat zij geen gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. De Commissie ziet daarom gelet op artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Belanghebbende voert aan dat zij recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid en hardheid. Zij heeft bedragen van meer dan € 1.500,- aan KOT moeten terugbetalen, zonder te weten waarom haar toeslag werd beëindigd en door wie. Mogelijk is zij gediscrimineerd op basis van haar achternaam. Bovendien stelt belanghebbende dat mogelijk sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, omdat zij de wet- en regelgeving niet machtig was.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de jaren 2009 tot en met 2011, 2014 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie zal per toeslagjaar nader toelichten waarom zij van mening was dat sprake was van reguliere vaststellingen en wijzigingen.

2009

De KOT voor het jaar 2009 wordt bij voorschotbeschikking toegekend conform de aanvraag van belanghebbende. In 2010 ontvangt de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) tweemaal een antwoordformulier met jaaropgave (productie 11 en 12). Uit de hierin vermelde totale kosten en opvanguren heeft B/T geconstateerd dat sprake was geweest van een lager uurtarief dan in de aanvraag stond. Om die reden is de KOT bij definitieve beschikking verlaagd.

2010

De KOT is automatisch gecontinueerd voor het jaar 2010. Daarna wordt de KOT verlaagd, omdat de KOT op 14 juli 2010 door of namens belanghebbende wordt stopgezet per 1 augustus 2010 (productie 20). Vervolgens wordt de KOT opnieuw verhoogd naar aanleiding van een nieuwe aanvraag per 1 augustus 2010.

Belanghebbende stuurt op 19 juli 2011 een antwoordformulier een jaaropgave aan B/T (productie 23). Hieruit volgt dat alleen in de periode 1 januari 2010 tot en met 20 juli 2010 opvang heeft plaatsgevonden.

2011

De KOT is automatisch gecontinueerd voor het jaar 2011, waardoor een eerste voorschot aan KOT is uitbetaald in december 2010 (productie 33). De KOT is vervolgens door of namens belanghebbende op 10 januari 2011 stopgezet met ingang van 1 januari 2011 (productie 45). B/T mocht uitgaan van deze melding en was gerechtigd het al uitbetaalde voorschot terug te vorderen. Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende opnieuw KOT heeft aangevraagd voor 2011.

2014

Belanghebbende heeft in december 2014 opnieuw KOT aangevraagd met ingang van 2 december 2014. De KOT is vervolgens toegekend conform deze aanvraag. Bij de definitieve beschikking is de KOT verlaagd vanwege een stijging in het toetsingsinkomen (productie 36).

2015

De KOT-aanvraag voor 2014 wordt automatisch gecontinueerd voor 2015. Vervolgens wordt de KOT verlaagd, omdat op 14 januari 2015 door of namens belanghebbende het verzoek wordt doorgegeven om de KOT per 1 juni 2015 te laten eindigen (productie 46). B/T mocht uitgaan van de juistheid van deze melding. Bij definitieve beschikking wordt de KOT nogmaals verlaagd vanwege een stijging in het toetsingsinkomen (productie 41).

De bijstellingen die hebben plaatsgevonden zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.

Door UHT is geconstateerd dat geen sprake was van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.

De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren. Ter volledigheid van het dossier adviseert de Commissie UHT om belanghebbende bij beslissing op bezwaar een schermafdruk over te leggen waar uit volgt dat er geen O/GS-kwalificatie was.

Discriminatie en FSV

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij mogelijk als gevolg van discriminatie is opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV).

De Commissie stelt vast dat UHT in het informatie- en beoordeling heeft genoteerd dat belanghebbende niet in de FSV staat vermeld (productie 44, blz. 143). Het bezwaar treft daarom geen doel. Ter volledigheid van het dossier adviseert de Commissie UHT om belanghebbende bij beslissing op bezwaar een schermafdruk te verstrekken die deze constatering onderbouwt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om bij beslissing op bezwaar de volgende stukken te verstrekken:

  • Een schermafdruk van het systeem waaruit volgt of sprake was van opname van het BSN van belanghebbende in de FSV.
  • Een schermafdruk van het systeem waaruit volgt of sprake was van een O/GS-kwalificatie;

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter