Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07901

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: ienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 april 2022 (UHT-DC-I A)

Hoorzitting: 8 mei 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: geen datum vermeld

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de
bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC-I A in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen
compensatie toegekend over de toeslagjaren 2010 en 2011.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van
    de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 en 2012.
    Dit verzoek is gewijzigd naar de toeslagjaren 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan
    belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling
    van €30.000,- (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 28 maart 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 26 april 2022 aan belanghebbende
    medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2010
    en 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 juni 2022, ingekomen op 21 juni 2022, bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 juni 2024, ingekomen op 26 juni 2024,
    het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 10 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 8 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 20 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 20 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de beschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen.
UHT is van mening dat het besluit wel degelijk zorgvuldig tot stand is gekomen op basis van de relevante onderliggende stukken.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de
motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en voldoende zorgvuldig is voorbereid.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Verhuizing naar het buitenland
Belanghebbende is van mening dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) haar had moeten informeren over het risico op terugvorderingen na haar verhuizing naar het buitenland. UHT wijst erop dat belastingplichtigen er zelf voor verantwoordelijk zijn om hun verhuizing en nieuwe postadres door te geven B/T heeft niet de plicht belanghebbenden daarop te wijzen. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en wijst erop dat belanghebbende in deze situatie zelf verantwoordelijk was voor de gevolgen van haar verhuizing naar het buitenland. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie
Belanghebbende voert aan dat zij veel schade heeft geleden door het handelen van B/T. Zij is het niet eens met de afwijzing van het recht op compensatie. Volgens
belanghebbende was haar verhuizing naar Curaçao bij B/T bekend of had deze informatie bekend moeten zijn. Zij heeft in de tijd dat zij in Curaçao woonde geen brieven ontvangen van of telefonisch contact gehad met B/T.

UHT heeft nader toegelicht dat belanghebbende op 28 september 2011 is verhuisd naar Curaçao. De eerste stopzetting van de KOT over toeslagjaar 2011 vond plaats op 10 juni 2011 naar aanleiding van haar stopzetting op 28 mei 2011. Belanghebbende woonde op dat moment dus nog in Nederland. De KOT over toeslagjaar 2011 is op 24 juni 2011 definitief op nihil beschikt. UHT kan niet achterhalen waarom deze beschikkingen niet aan belanghebbende zijn geadresseerd. UHT maakt uit het LIC-overzicht van 2011 op dat de laatste betaling van de KOT heeft plaatsgevonden op 16 mei 2011. Belanghebbende heeft dus geen KOT ontvangen na haar vertrek uit Nederland.

Afgezien van het bovenstaande is UHT van mening dat het oordeel dat geen recht op compensatie bestaat juist is, omdat sprake is van evident geen recht op KOT over de toeslagjaren 2010 en 2011. Over deze toeslagjaren is volgens UHT namelijk geen sprake geweest van gekwalificeerde kinderopvang. UHT wijst op een notitie van een gesprek met belanghebbende van 16 december 2019, waarin belanghebbende heeft verteld dat ze in de toeslagjaren 2010 en 2011 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Uit de systemen van B/T blijkt volgens UHT ook niet dat gekwalificeerde opvang heeft plaatsgevonden.

De Commissie ziet geen aanwijzingen in het dossier waaruit blijkt dat er wel
gekwalificeerde opvang over de toeslagjaren 2010 en 2011 heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT juist geconcludeerd dat over de toeslagjaren 2010 en 2011 sprake was van evident geen recht op KOT en geconcludeerd dat geen recht op compensatie bestaat. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Herbeoordeling toeslagjaren
UHT heeft ter zitting toegezegd om het verzoek om herbeoordeling van de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 intern neer te leggen bij de juiste afdeling.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden
besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een
proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter