Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07862

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 mei 2022 (UHT-DC I)

Ontvangst bezwaarschrift: 7 juni 2022

Hoorzitting: 16 mei 2024

Overdracht advies aan UHT: 20 juni 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT het bezwaar tegen het besluit met kenmerk UHT-DC I gegrond te verklaren voor wat betreft de rentevergoeding over de gemiste KOT, het bestreden besluit op dit punt te herroepen en de compensatie opnieuw te berekenen. Alle ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen dienen opnieuw te worden berekend met inachtneming van dit advies.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende op 1 juni 2022 ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 9 mei 2022 genomen Definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (kenmerk: UHT-DC I).

Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) is belanghebbende bij voornoemde beschikking medegedeeld dat zij wegens vooringenomen handelen over het toeslagjaar 2009 recht heeft op een compensatiebedrag van € 18.668. Omdat belanghebbende op grond van de voorlopige compensatieberekening reeds een compensatiebedrag van € 30.000 had ontvangen, kreeg zij geen extra bedrag uitbetaald.

Overgangsrecht

Op 5 november 2022 is de Wet houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 februari 2020 telefonisch verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2010. Op verzoek van belanghebbende is dit verzoek naderhand uitgebreid tot de toeslagjaren 2007 tot en met 2012.
  • Bij beschikking van 30 april 2021 (met kenmerk UHT-B DMB2) heeft UHT belanghebbende op basis van de Catshuisregeling een voorlopige compensatie van € 30.000 toegekend en belanghebbende geïnformeerd dat zij dit bedrag op 22 april 2021 uitbetaald zou krijgen.
  • Bij Definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 9 mei 2022 (met kenmerk UHT-DC I) heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat B/T bij de beoordeling van haar situatie over de toeslagjaren 2007 en 2010 fouten heeft gemaakt. Het definitieve compensatiebedrag bedraagt € 18.668. Omdat belanghebbende eerder al € 30.000 heeft ontvangen, kreeg zij geen extra bedrag uitbetaald.
  • Bij Beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (kenmerk UHT-DC5 A) en bij Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (kenmerk UHT-DC-I A) van 9 mei 2022 is belanghebbende medegedeeld dat zij over de toeslagjaren 2008, 2009, 2011 en 2012 geen recht had op compensatie.
  • Bij brief van 1 juni 2022 is door belanghebbende pro forma bezwaar gemaakt tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A. UHT heeft de ontvangst van het bezwaar bij brieven van 17 juni en 27 september 2022 bevestigd.
  • Bij e-mailbericht van 2 augustus 2022 heeft belanghebbende de Commissie geïnformeerd in verband met terugkerende stress en spanning af te zien van de voortzetting van de bezwaarprocedure.
  • Na telefonisch overleg met de Commissie heeft belanghebbende op 7 augustus 2022 laten weten de bezwaarprocedure toch te willen voortzetten.
  • Bij e-mailbericht van 15 september 2022 zijn de bezwaargronden door belanghebbende ingediend. Uit deze bezwaargronden blijkt dat het bezwaar feitelijk is gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I.
  • Op 9 november 2023 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
  • Op 18 april 2024 heeft UHT een aanvullend stuk ingediend.
  • Op 16 mei 2024 heeft de Commissie het bezwaar van belanghebbende behandeld op een hoorzitting in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar behandeld en het navolgende advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

De Commissie stelt voorop dat het door belanghebbende ingediende pro forma bezwaar gericht is tegen de Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 9 mei 2022 (met kenmerk UHT-DC-I A). Uit het aanvullend bezwaarschrift van 15 september 2022 volgt echter dat belanghebbende het niet eens is met de hoogte van het toegekende compensatiebedrag, zoals opgenomen in de Definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 9 mei 2022 (met kenmerk UHT-DC I). De Commissie zal het bezwaar daarom behandelen als een bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De hoogte van de compensatieberekening

Belanghebbende is van mening dat de compensatieberekening niet correct is. Belanghebbende betwist dat zij slechts in aanmerking komt voor € 30.000. Volgens haar zijn de vergoedingen voor immateriële en materiële schade te laag vastgesteld. De werkelijke schade van belanghebbende is hoger dan de bedragen waarvoor zij op dit moment is gecompenseerd. Belanghebbende verzoekt opnieuw te kijken naar de daadwerkelijk geleden schade.

De Commissie overweegt daarover dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om de integrale beoordeling te doen via een systeem van forfaitaire toekenning. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft gesteld geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde (forfaitaire) compensatiestelsel in haar geval buiten toepassing zou moeten blijven. Buiten de forfaitaire compensatie voorziet de Wht ook in de mogelijkheid van vergoeding van de daadwerkelijke (materiële en immateriële) schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna CWS). Anders dan belanghebbende stelt, moet de Commissie uitgaan van het in de Wht gegeven wettelijke kader. De Commissie constateert dat UHT aan de hand van dit kader de (forfaitaire) compensatieberekening opnieuw heeft uitgevoerd.

Rentevergoeding over de gemiste KOT

In haar schriftelijke reactie stelt UHT dat de berekening van de rentevergoeding over de gemiste KOT niet correct is uitgevoerd. UHT is namelijk uitgegaan van de startdatum van 15 juni 2009, terwijl dat op grond van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 1 juli van het jaar volgend op het desbetreffende toeslagjaar moet zijn. Voor de toeslagjaren 2007 en 2010 leidt dit tot de conclusie dat een te laag bedrag is opgenomen in de compensatieberekening (€ 20 respectievelijk € 15 te weinig). De Commissie volgt UHT in het oordeel dat het bezwaar op dit onderdeel slaagt.

Vergoeding voor immateriële schade

Belanghebbende meent dat haar een te lage vergoeding voor immateriële schade is toegekend. De Commissie overweegt hierover het volgende.

Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht dient de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade te worden gesteld op de dagtekening van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening die een direct gevolg is van vooringenomen handelen of hardheid van B/T. In haar aanvullende beschouwing stelt UHT vast dat de vergoeding voor immateriële schade over een verkeerde periode is berekend in de definitieve compensatieberekening. UHT constateert dat de verkeerde einddatum is gehanteerd; in plaats van de in de beschikking gehanteerde einddatum van 4 april 2022, had de datum van de dagtekening van de definitieve compensatiebeschikking (9 mei 2022) moeten gelden.

Hoewel deze constatering door UHT op zichzelf doel treft, leidt deze - nu de forfaitaire vergoeding wel over het juiste aantal halve jaren is berekend - echter niet tot een gewijzigd rechtsgevolg, nu er geen hogere vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend. Het voorgaande vloeit, zoals UHT in haar schriftelijke reactie terecht constateert, naar het oordeel van de Commissie bovendien reeds voort uit de ingevolge artikel 2.3 lid 4 van de Wht gestelde voorwaarde dat het bedrag niet hoger is dan het bedrag onder c (het bedrag dat belanghebbende eerder moest terugbetalen of niet heeft gekregen). Het aanpassen van de einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade is berekend, leidt er ook om die reden niet toe dat de vergoeding wordt gewijzigd. Het bedrag blijft gemaximeerd op € 9.044.

Omdat het bezwaar gedeeltelijk gegrond zal worden verklaard, loopt de vergoeding voor immateriële schade volgens vaststaand beleid door tot aan de datum van de beslissing op het bezwaar. Gelet op het bepaalde in artikel 2.3 lid 4 van de Wht, dient ook deze aanpassing naar het oordeel van de Commissie achterwege te blijven.

Vergoeding van materiële schade

Ingevolge artikel 2.3, lid 3 Wht is de vergoeding van materiële schade gelijk aan 25% van het bedrag genoemd in component c. Dit bedrag is bepaald op € 2.262 (25 % van € 9.044) en is naar het oordeel van de Commissie juist berekend. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

1% vergoeding (component n)

De Commissie constateert dat de (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar ook zal behoren te leiden tot aanpassing van de aanvullende vaste vergoeding van 1%. De Commissie adviseert UHT dit mee te nemen in de aangepaste compensatieberekening.

Forfaitaire bedragen te laag

Voor zover belanghebbende betoogt dat het forfaitaire bedrag van € 500 per half jaar een te laag bedrag zou zijn voor haar situatie, volgt de Commissie haar niet. Dat geldt ook voor het forfaitaire bedrag aan materiële schade (25 % van het bedrag van de compensatie zoals genoemd in component c). De Commissie wijst erop dat in het geval van compensatie op grond van artikel 2.1 Wht een forfaitaire compensatie wordt toegekend, waarmee gedupeerde ouders niet steeds het werkelijke nadeel dat zij ondervonden hebben, vergoed krijgen. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke schade als gevolg van het handelen door B/T hoger is dan de (deels) forfaitaire compensatie uit hoofde van artikel 2.3 Wht, dan kan belanghebbende op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

Belanghebbende dient zich daartoe (uiterlijk 31 december 2024) te melden bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

Conclusie

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT samengevat:

  • de bezwaren tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I, (gedeeltelijk) gegrond te verklaren ten aanzien van de berekening van de rente over de gemiste KOT;
  • het bestreden besluit op dit punt te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen en ook alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
  • de overige bezwaren ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter