Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07715

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 april 2022 met kenmerken UHT-DC I A en UHT-DH5 A

Hoorzitting: 18 juli 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 4 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT
genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen
compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2011.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 april 2020 verzocht om een herbeoordeling van de
    kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 23 maart 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
    geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikkingen aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2011.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 25 mei 2022, ingekomen op 30 mei 2022,
    tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Bij brief van 15 oktober 2023 heeft [naam] zich gesteld als
    gemachtigde van belanghebbende.
  • UHT heeft op 12 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 28 oktober 2024 heeft UHT een aanvullende beschouwing met producties
    gestuurd.
  • Op 18 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikkingen en de
daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht heeft besloten geen compensatie toe te kennen voor toeslagjaren 2009 tot en met 2011.

Beoordeelde toeslagjaren
De KOT voor de jaren 2009 tot en met 2011 zijn , naar op grond van de stukken
aannemelijk is geworden, veelal bijgesteld naar aanleiding van door belanghebbende zelf aangeleverde informatie. Uit die informatie volgt dat in 2009 de KOT onder meer neerwaarts is bijgesteld vanwege een wijziging in het aantal uren kinderopvang en een wijziging in het definitieve toetsingsinkomen.
Met betrekking tot 2010 overweegt de Commissie dat bij beschikking van
17 augustus 2011 de KOT juist opwaarts is gecorrigeerd nadat belanghebbende bewijsstukken (twee plaatsingsbewijzen) had overgelegd voor haar beide kinderen. Hieruit volgt dat er 135,15 uur per maand gebruik is gemaakt van kinderopvang. Dit komt ook overeen met de gegevens uit de KOI-viewer.
De verplichting tot terugbetaling van de KOT voor de bovengenoemde jaren is het gevolg van reguliere correcties. Dit kan niet worden aangemerkt als institutioneel
vooringenomen handelen. De reguliere correcties over deze toeslagjaren wijzen evenmin op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Ook is geen sprake van een onterechte O/GS kwalificatie.

De Commissie overweegt verder dat er in toeslagjaar 2011 op 26 juli 2011 een
neerwaartse correctie is geweest vanwege een stopzetting door belanghebbende zelf. Vervolgens heeft belanghebbende naar aanleiding van een vraagbrief een
antwoordformulier opgestuurd waarop zij heeft aangegeven dat er geen gebruik is
gemaakt van opvang. Als gevolg hiervan wordt de KOT op 10 mei 2013 en op
29 mei 2013 op nihil beschikt. Het hiertegen ingediende bezwaar van belanghebbende wordt bij beschikkingen van 14 en 21 oktober 2013 gegrond verklaard. Op grond van door belanghebbende aangeleverde stukken wordt de KOT vastgesteld op € 6.451. De Commissie volgt UHT in het standpunt dat ook in 2011 geen sprake is van vooringenomen handelen. Achteraf is aannemelijk geworden dat belanghebbende destijds het antwoordformulier verkeerd heeft ingevuld. Dat neemt evenwel niet weg dat B/T toentertijd wél van de juistheid van de inhoud van dit antwoordformulier mocht uitgaan. Het is immers door belanghebbende zelf ingediend en bovendien heeft zij destijds onvoldoende tegenbewijs aangeleverd waaruit meteen zou moeten volgen dat de gegevens over de afgenomen kinderopvang anders zijn. Gelet op het grote aantal KOT aanvragers, kan volgens de Commissie, niet van B/T gevergd worden om op basis van het door belanghebbende zelf ingevulde antwoordformulier nader onderzoek te doen en daardoor tot een mogelijk andere conclusie te komen.

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat zij over 2011 meer KOT had moeten ontvangen, overweegt de Commissie dat de Wht bedoeld is voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of (een onterechte kwalificatie) O/GS en in beginsel niet ziet op eventuele omissies in (de gegevensverstrekking ter zake van) de aanvraag of de vaststelling van KOT. Belanghebbende verzoekt in feite om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het berekeningsjaar 2011 zoals deze in haar visie indertijd definitief had moeten zijn vastgesteld. UHT heeft niet de bevoegdheid om tot herziening van de in het verleden vastgestelde KOT over te gaan en dient zich enkel te beperken tot de in de Wht gestelde kaders. Dat leidt de Commissie tot de conclusie dat dit bezwaaronderdeel niet tot het door belang-hebbende gewenste resultaat kan leiden.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter